Skip to main content

Full text of "Aanteekeningen op de Wespen van Aristophanes"

See other formats


STOP 



Early Journal Content on JSTOR, Free to Anyone in the World 

This article is one of nearly 500,000 scholarly works digitized and made freely available to everyone in 
the world byJSTOR. 

Known as the Early Journal Content, this set of works include research articles, news, letters, and other 
writings published in more than 200 of the oldest leading academie journals. The works date from the 
mid-seventeenth to the early twentieth centuries. 

We encourage people to read and share the Early Journal Content openly and to teil others that this 
resource exists. People may post this content online or redistribute in any way for non-commercial 
purposes. 

Read more about Early Journal Content at http://about.istor.org/participate-istor/individuals/early- 
journal-content . 



JSTOR is a digital library of academie journals, books, and primary source objects. JSTOR helps people 
discover, use, and build upon a wide range of content through a powerful research and teaching 
platform, and preserves this content for future generations. JSTOR is part of ITHAKA, a not-for-profit 
organization that also includes Ithaka S+R and Portico. For more Information about JSTOR, please 
contact support@jstor.org. 



AANTEEKENINGEN 



OP DB 



WESPEN VAN ARISTOPHANES. 



IETS OVER HET GETAL DER SCHOUWSPELERS EN HOE DE ROLLEN 
ONDER HEN VERDEELD WAREN. 

Men leest in K. 0. Müllers Geschichte der Griechischen Lille- 
ralur, II. p. 20S, waar de schrijver de comedie behandelt, 
dat wel de meeste tooneelen bij Aristophanes tusschen drie 
schouwspelers verdeeld zijn , maar die regel niet doorgaat en 
hij, even als de Tragici , somtijds ook eenen vierden schijnt 
gebruikt te hebben. Als voorbeeld noemt hij de Wespen, in 
welk stuk men meermalen Bdeltcleon en Philocleon met de bei- 
de slaven Sosias en Xanthias te zamen op iiet tooneel zou zien. 

Het is natuurlijk dat Muller , die zich bij bet schrijven van 
een algemeen overzigt de moeite niet geven kon , om de Wes- 
pen , met het oog op die vraag , opzettelijk te onderzoeken , 
deze uitkomst verkrijgen moest : want men vindt in dit stuk , 
zoo als wij hel uit de codices kennen, inderdaad meermalen 
de vier genoemde personen te zamen op het tooneel. Maar 
die tekst verdient ons vertrouwen niet. Men weet, om hier 
van de overige verbasteringen niet te spreken, hoe telkens en- 
kele verzen en somtijds zelfs geheele stukken verkeerd verdeeld 
en vaak den verschillende personen woorden in den mond ge- 
legd zijn , die de dichter aan een' anderen had toegedacht. 



De Wespen van Aristophanes. 2S 

Muller heeft dit uit het oog verloren en daarom heeft zijne 
beslissing slechts weinig waarde. Ik heb getracht zooveel mo- 
gelijk overal mijne aandacht hierop gevestigd te houden en 
ben eindelijk tot een tegenovergesteld besluit gekomen. Abi- 
STOPUANBS heeft , althans in de Wespen , nergens vier personen 
tegelijk op het tooneel gebragt , maar alle plaatsen , die thans 
als bewijs daarvoor worden aangevoerd , moeien door de ver- 
zen anders te verdeelen tot drie personen worden teruggebragt. 
Wij zullen, om dit duidelijk te maken, de gedeelten van het 
stuk, die hierbij in aanmerking komen, kortelijk doorloopen. 
Bij den aanvang van het eerste tooneel ziet men drie per- 
sonen, twee slaven op straal voor de huisdeur en op eene bo- 
venkamer (vs. 68) huunen meester Bdelycleon, die ligt te sla- 
pen. Dit blijft onveranderd tot vs. 138, wanneer Bdeltclbon, 
die wakker geworden is , en de pogingen van zijnen vader om 
te ontsnappen bemerkt heeft, den eenen slaaf naar binnen 
roept om hem te helpen. De andere , zegt hij , moet bij de 
deur blijven , vs. 142 a-o iï rij dvpcf, TrpiirxiKTo, Aristophanes 
zegt hier niet met name , wie van de twee slaven , Xanthias of 
SosiAS, volgens zijne bedoeling, naar binnen gaan, wie daaren- 
tegen buiten blijven moet. Dit was voor het publiek niet noo- 
dig , dat alles met eigen oogen zag en zich in den persoon niet 
bedriegen kon. Maar de grammalici van lateren tijd stonden 
op minder vasten grond ; zij moesten alles , wat van dien aard 
in een stuk voorkomt , uit het verband opmaken en zijn daarbij 
dikwijls slordig en met weinig oordeel te werk gegaan. Van 
daar dat zij zich vergist hebben in den persoon , die op last 
van Bdelycleon bij de huisdeur blijft en vs. 142 t«üt', u 'Shvorx 
antwoordt: men leest thans boven die woorden den naam So- 
siAs; maar Sosias is juist de slaaf, die van het tooneel gegaan 
is; hij, die builen blijft en antwoordt, heet Xanthias. Dit 
blijkt ten duidelijkste, wanneer later (vs. 4S6) Bdelycleon zijne 
medewerking tegen het koor gebruikt en hem bij die gelegen- 
heid toespreekt met de woorden: itku , ttuT , u Exviix, robg 
a-cpiixxg xwh rij^ olxlx?. Misschien twijfelt iemand of dit vers 
wel noodwendig tot denzelfden slaaf gerigt moet zijn ; doch 
wij komen hierop laler terug. Men leze dus boven de aange- 
haalde woorden van vs. 142 niet Sosias, maar Xanthias., ge- 



26 De WespEiN van Aristopiianes. 

lijk mede boven vs. 152, waar de afschrijvers, zoo als iialuur- 
lijk was , in dezelfde dwaling hebben verkeerd. 

Na het vertrek van Sosias blijven er slechts twee personen 
op het tooneel, Bdelycleon en Xanthias. Dit duurt echter niet 
lang; want al spoedig (vs. 144) verschijnt Philocleon. 

De reden, waarom Aristophanes den eenen slaaf juist een 
oogenblik te voren van het tooneel verwijderd heeft , komt 
thans aan het licht ; hij had dien schouwspeler noodig voor 
de rol van Philocleon. Natuurlijk kon hij daarvoor niet uitko- 
men en laat hij hem dus door Bdelyclëon onder een voorwend- 
sel naar binnen roepen ; maar de eigenlijke reden is die , wel- 
ke ik zoo even genoemd heb. Want van bet oogeni)iik af dat 
hij na vs. 138 het tooneel verlaten heeft en Philocleon onmid- 
delijk daarop verschijnt, is, gelijk wij zullen aantoonen, de 
rol van Sosias geëindigd en treedt hij als slaaf niet weder op. 
Het aantal persoonen is door het optreden van Philocleon 
weder tot drie geklommen , Xanthias voor aan de huisdeur en 
Philocleon met Bdelycleon daar binnen. Maar de loop van het 
stuk brengt mede, dat Bdelycleon zich buiten bij zijnen slaaf 
vervoegen moet , om met dezen de huisdeur te bewaken , ter- 
wijl alleen Philocleon vooreerst nog binnen blijft. Bdelycleon 
verlaat dus hel huis; maar het oogenblik wanneer en de reden 
waarom vindt men thans in den tekst niet meer aangewezen. 
Er is evenwel genoeg overgebleven, om grond Ie geven tot 
eene gissing. Ik houd het bijna voor zeker, dat men het 
juiste oogenblik en de aanleiding in vs. 152 vlgg. zoeken moet. 
De plaats luidt aldus: 

. . T>jv óvptxv wósi ' Trict^s vvv (7<pó'Spx 
£v KxvtptKÜg ' Kxyi) yxp êvTxüd' epxof^xi. 
xx) T)5? xxrxx^st^og «T/jMfAou xx) tov fcox^ov 
0ü>>xt6', owuq (iij rijv (sxXxvov èxrpu^sTxi. 
Deze vier verzen , die gelijk ik boven reeds gezegd heb , ten 
onregle op naam van Sosias gesteld zijn , kunnen niet alleen 
in geen geval aan dezen, maar zelfs niet allen aan een' en 
denzelfden persoon toebehooren. Het is mij onverklaarbaar hoe 
men dit zoo lang heeft kunnen voorbij zien. Men vindt hier 
in het eerste vers twee imperativi , &6si en ■iriit^s, beiden met 
hetzelfde object, namelijk rijv öüpxv , doch wier beteeken is lijn- 



GETAL DER SCIIOUWSPELERS. 27 

regl legen elkander overslaat. De woorden èOsIv rijv öópxv 
■willen zeggen , de deur openbreken of sloolen , zoo als bij Ly- 
siAS, over den moord van Eraloslhenes , §. 24. mxvTei; 'ès riiv 
övpxv Tov Zu/iXTtou 01 (/.h TrpwTOt elo'iévTsi; en eï^ofiev xvtov xx- 
TXKei(jt,£vov TTxpx Tj? yvvxixi : daarentegen is mé^siv rhv óüpxv 
nagenoeg hetzelfde als in vs. 142 wpoffxsTcöxt tj? Sóptji, legen 
de deur drukken om Ie verhinderen dat men haar van de an- 
dere zijde opensloole. De slaaf geeft hier dus in een adem 
twee geheel tegenstrijdige bevelen , riiv óüpxv u6ei , » breek de 
» deur open ," en wiei^é vuv a-cpéZpx , » druk er tegen dat zij ge- 
» sloten blijve." Eigenlijk zouden wij niets meer behoeven Ie 
zeggen, om te bewijzen, dat de plaats bedorven is; men kan 
er echter bijvoegen, dat de slaaf, die hier spreekt, sedert vs. 138 
alleen is en niemand heeft om bevelen te geven , en dat hij bui- 
tendien op last van zijnen heer zelf bij de deur de wacht houdt 
en dus onmogelijk heeft kunnen zeggen , xxyu yxp èvrxvi' 
(pxot^i'Xt , als ware zijn post lot nog toe elders geweest. De 
plaats is dus bedorven en ten minste voor een gedeelte niet 
aan den reglen persoon toegedicht; zij kan niet geheel wor- 
den hersteld , want de woorden zijn niet verbasterd maar ten 
deele verloren gegaau; ik zal echter zeggen hoe ik geloof dat 
men haar het digtst tot haren oorspronkelijken vorm terug kan 
brengen. Terwijl Bdelïcleon nog spreekt (vs. 151), heeft Pm- 
LOCLEON zich ongemerkt naar de huisdeur begeven en begint 
daartegen te bonzen. De wachter roept hierop zijnen meester 
en vraagt om hulp. De woorden, die hij daarbij bezigde, zijn 
bijna geheel weggevallen; alleen het rijv óópxv uöeT (niet 
uht) van vs. 132 is daarvan overig gebleven. Het subject 
van uós7 is, gelijk van zelf spreekt, Philocleon. Wat hierop 
volgt , ■TfUl^ê vuv (Tipó^px ktL is niet meer eeii gezegde van 
den slaaf, maar het antwoord van den meester. Deze was 
namelijk tot nog toe in huis gebleven , maar op het hulpge- 
schreeuw van den slaaf besluit hij ook naar buiten te gaan 
en zegt hom dit , opdat hij zich zoo lang goed houde. Men 
zou volgens mij , de geheele plaats aldus moeten schrijven : 

HAN0IA2, 



. Tv}> ö-jpxv clhï. 



28 De Wespen van Aristopuanes. 

BAEATKAEAN. 

T/f^i VVV a-<póipx 
su XMvipixu? ' xiyèi <ykp êvTxüi' ïpxoptxi xrê. 
Deze gissing- heeft te meer waarschijnlijkheid, daar men re* 
den heeft om te gelooven , dat de codex archelypus op deze 
hoogte gebrekkig was. Hiervoor spreekt niet alleen het ont- 
breken van de eerste lettergreep van vs. 1S2 zelf, maar ook 
vijf verzen vroeger de lacune, die het metrum van vs. 147 
bederft {xToip ovx . . , ipp^vetg ye). Overigens is het niet te 
verwonderen, dat een afschrijver de drie nog leesbare woor- 
den van den slaaf (ritv Stipxv dSet) , waarmede hij geen' weg 
wist, bij de volgenden gevoegd en alles te zamen op naam 
van den slaaf gesteld beeft. 

Bdeltcleon -heeft dus na vs. Igg het huis verlaten en bevindt 
zich met den slaaf voor de huisdeur , terwijl Pbilocleon daar 
binnen alles in hel werk stelt om te ontsnappen. Dit tooneel, 
dat voortduurt tot aan het optreden van het koor (vs. 230), 
geeft ons voor het eerst -aanleiding om van het getal der 
schoitwspelers te spreken. Want, zoo men de codices geloo- 
ven mag, zijn bier behalve Philocleon en Bdeltcleon, de beide 
slaven Sosias en Xanthias in het gesprek gemengd, en heeft 
Aristofhanes derhalve vier schouwspelers op het tooneel ge- 
bragt. Maar de codices hebben in dit geval den tekst niet be- 
waard , zoo als de dichter hem geleverd had. Aristopbanes 
heeft niet meer dan drie schouwspelers laten optreden en on- 
der dezen slechts éénen slaaf. Dit valt niet moeijelijk te be- 
wijzen. In de eerste plaats boude men in het oog, dat althans 
op het oogenblik wanneer Bdeltcleon mede voor de huisdeur 
plaats neemt (vs. 1S5) slechts één slaaf op het tooneel gezien 
wordt. Dit is een noodwendig gevolg van het voorgaande. Er 
waren in den beginne twee slaven aanwezig; één van die 
twee vertrekt (vs. 138); derhalve moet er slechts één overig 
blijven. Men ziet dan ook, dat Bdeltcleon, wanneer hij het 
woord rigt lol zijnen bediende , zoowel in vs. 142 als in vs. 1S2 
vlgg. den singularis gebruikt. Vijfenzeventig verzen later, bij 
het optreden van het koor (vs. 230) , is de toestand dezelfde. 
Alleenlijk heeft Bdeltcleon zich door den slaaf laten diets ma- 
ken, dal zij van Puilocleon niets meer te vreezen hebben en 



GETAL DER SCBOUWSPELBRS. 29 

zonder gevaar wat kannen rusten; men ziet dus den meester 
met den slaaf hier niet voor de deur waken , maar in diepen 
slaap nederliggen. Deze zijn de beide mannen, welke Philo- 
CLïON bedoelt, wanneer hij (vs. 360vlgg.) over het verlies zij- 
ner vrijheid klagende uitroept : 

vuv ii ^i/v oT^ot? 

avipeg ivXïrxi iiXTa^ifievoi 

KXTx TXi hóloug axoviupoïivTXt , 

T« 51 Sü' XUTÜV iv) TXÏffl êópxti 

ufTep fis yx>>!jv xpix KXi\pxjxv 
Tiipoü(Tiv ixovT^ i^e^hxouf. 
Or, zoo dit niet genoeg schijnt en misschien nog iemand meent, 
dat Bbelvcleon vs. 230 twee slaven bij zich heeft, vergelijke 
hij vs. 39S, waar Bdeltclkon ontwaakt en niet even als in 
VS. 136 uitroept, S sxvilx kx) Zavix KxSsóisTe i maar door 
het gebruik van den singularis, oSrct , iyelpov, duidelijk te 
kennen geeft, dat er niet meer dan één slaaf naast hem ligt. 

Het slaat dus vast, wij mogen bet voor bewezen houden, 
dat met vs. 1S5 slechts één slaaf op het tooneel aanwezig is, 
en insgelijks met vs. 230 niet meer dan één. 

Maar gedurende de vijf en zeventig verzen , die tusschen die 
plaatsen inllggen , nemen, volgens de codices, de beide slaven 
deel aan het gesprek en klimt hierdoor het getal personen tot 
vier. Daargelaten of Aristophanes al dan niet over vier schouw- 
spelers beschikken kon , heeft deze zaak op zich zelven iels be- 
vrecmdends: want waarom kon de slaaf, die op last van Boely- 
ctBON het tooneel verlaten had en met vs. 155 nog afwezig was, 
niet kort daarna teruggekomen en reeds voor vs. 230 weder 
afgetreden zijn ? Maar Aristoihanes verzuimt nimmer het ko- 
men of weggaan der verschillende personen in zijne stukken 
behoorlijk door de eene of andere reden te regtvaardigen en 
daarvan vindt men bij deze gelegenheid niets. Stelt men met 
mij, dal Xanthias op het tooneel gebleven is, dan treedt Sosus, 
de andere slaaf, voor het eerst weder op in vs. 202 met de 
woorden : 

oliioi isi^xio? * 
TÓéev iroT è(t7réirT»xi fioi rb (3u^lov ; 
Of hij echter nu eerst teruggekomen is of reeds vroeger en 



30 De Wespen van Aristophanes. 

welke aanleiding hij daartoe gehad heeft; wat Aristophanes 
kan bewogen hebben, om hem zouder noodzaak in het gesprek 
te mengen ; waarom niet liever Xanthias even als voor vs. 202 
de eenige helper van Bdeltcleon blijft : deze vragen , die de dich- 
ter elders door een wenk of schijnbaar toevallig woord pleegt 
op te lossen , doet men thans te vergeefs. Sosias spreekt op 
eens, voor dat iemand iets van zijne tegenwoordigheid weet 
of begrijpt, wat hij komt doen. Ik behoef niet te zeggen, dat 
dit op zich zelf reeds genoeg is om zijn optreden verdacht te 
maken ; er is echter nog eene omstandigheid , die het bezwaar 
er van vergroot. Eens weder aan het spreken gekomen ver- 
dringt Sosias langzamerhand Xanthias en is ten slotte de per- 
soon , die Bdelïcleon overreedt , om rust te nemen , en bij het 
optreden van het koor zelf naast hem ligt te slapen. Bij ge- 
volg moet hij ook de slaaf zijn , dien Bdelycleon later (vs. 
395) uit die sluimering wekt. Doch hoe zal men het dan goed 
maken , dat Bdelycleon een weinig verder (vs. 456) in strijd 
met het voorgaande, hem Xanthias noemt? De lieden, die 
aan den tekst zijnen legenwoordigen vorm gegeven hebben , 
zijn hierdoor zeer in het naauw gebragl: zij pogen zich te red- 
den door eene verwisseling van personen aan te nemen en te 
stellen dat Sosias wel de slaaf is , die door Bdelycleon gewekt 
wordt (vs. 595) , maar niet bij hem blijft en van vs. 420 af 
plotseling vervangen wordt door Xanthias: eene ongerijmdheid, 
daar zich niet ééne reden denken Iaat , waarom de dichter 
zich niet zou gehouden hebben aan den slaaf, die nu eenmaal 
op het tooneel was , en noch van het vertrek van Sosias noch 
van de komst van Xanthias een spoor of teeken te vinden is. 
Wij zullen later zien, hoe die zwarigheid zonder veel moeite 
uit den weg kan worden genomen. Tot hiertoe over Sosias ; 
maar wat is ondertusschen van Xanthias geworden? Hij kan 
bij het optreden van het koor niet meer op het tooneel zijn , 
daar Bdelycleon , zoo als wij gezien hebben , op dat oogenblik 
maar éénen slaaf bij zich heeft en deze , volgens de codices , 
Sosias heet: doch wanneer en waarom is Xanthias vertrokken? 
Niets daarvan wordt hier aangeduid : hij verdwijnt na zijne 
laatste woorden (vs. 209) even stil en spoorloos als zijn mak- 
ker in VS. 202 verschijnt. Alweder een bewijs voor mijne 



GETAL DER SCHOUWSPELERS. 31 

stelling, dat dit tooneel nimmer zoo door Aristophanes kan 
zijn ingerigl. De voorstelling , die ik tot hiertoe van de zaak 
gegeven heb, steunt op de onderstelling dat Sosias na vs. 158 
vertrokken , en Xanthias op het tooneel gebleven is : zoo men 
echter het geval omkeert en met de codices aanneemt, dat Xan- 
thias afgetreden maar Sosias gebleven is , verandert de zaak 
hierdoor zeer weinig; alles, wat ik gezegd heb, blijft toepasse- 
lijk; alleen zal men dan op het wederverschijnen van Xanthias 
in VS. 174 de aanmerkingen moeten overbrengen, die ik nu 
van gelijken aard over de terugkomst van Sosias in vs. 202 
gemaakt had. 

De gebreken van het bedoelde tooneel zijn in het bovenstaan- 
de duidelijk genoeg aangetoond ; laat ons thans zien , hoe wij 
die het gemakkelijkst en met de minste verandering van den 
tekst kunnen wegnemen. Ik weet daartoe slechts één middel ; 
men moet van vs. 138 af slechts éénen slaaf laten optreden. 
Of die slaaf Xanthias of Sosias heet, zal in den grond wel on- 
verschillig zijn; doch Aristophanes heeft voor ons gekozen: 
Bdelycleon noemt den slaaf, die hem in den wespenoorlog bij- 
staat en , zoo als wij boven gezien hebben , dezelfde is , welke 
in dit tooneel voorkomt , Xanthias (vs. 4.'>6) ; aan dien naam 
zijn wij dus verpligt ons te houden. Wezenlijke bezwaren te- 
gen het overbrengen van alles , wat hier door Sosias gezegd 
wordt, op Xanthias, bestaan niet. Over vs. 142 en 1S2 heb- 
ben wij boven reeds gesproken; hierop kom ik dus niet terug. 
Overal waar later Sosias in de codices sprekende wordt inge- 
voerd , van VS. 202 tot 250 , kan men zonder verder eenige 
verandering in den tekst te brengen , Xanthias daarvoor in de 
plaats stellen. De eenige bedenking, die men hiertegen ma- 
ken kan , is , dat van vs. 202 tot vs. 209 het gesprek tusschen 
de beide slaven gevoerd wordt. Maar dit bezwaar is meer 
schijnbaar dan wezenlijk; men geve slechts vs. 204 en vs. 207 
vlgg. niet aan Xanthias maar aan Bdelycleon en schrappe den 
naam van Bdelycleon boven vs. 209 , zoodat dit anderhalve 
vers met de bovenslaanden vereenigd wordt , en alles zal ge- 
vonden zijn. Men oordeele slechts 

HAN0IA2. 



32 De Wespen van Aristophanes. 

vóèev vor" ê/iwsTTUxê (loi tI (ia}^iov ; 
BAEATKAEflN. 
204 '(TUi; avuêsv (ivt; èvé^xXé (toI voSiv. 
HAN0IA2. 
/ttD?; oö (ix A/', «AA' uvo^uófisvii rif outov) 
VTTO TÜv Kspxfil^uv )}A/«ffT^? ipo(plxg. 
BAEATKAEHN. 
207 olf^iOf xxKoixtfiav , ^rpovShi civvip ylyverxt ' 

iKVT^(rSTXI ' TOÜ TOÜ ^ffTl fiOl TO 'SIkTUOV i 
209 ffOÜ ffOV, TXXlV (TOV ' vil Ai', Jl fiCI tCpSÏTTOV jjl» 

mpsTu "Zmüviiv xvt) toÜtou toü irxrpéi. 
Ik zal het gesprek niet verder afschrijven , omdat alles zich 
van hieraf bepaalt bij de verandering telkens van den naam 
SosiAS in Xanthias. Diezelfde verandering moet natuurlijk ook 
plaats vinden in vs. 39S en de beide volgenden , boven de ant- 
woorden van den slaaf. De ongerijmde verwisseling van per* 
sonen , die uit Sosias in vs. 420 eensklaps Xanthias maakt , 
vervalt hierdoor van zelf; want Xanthias is nu van vs. 138 af, 
de eenige slaaf, die in aanmerking komt. — De eerste plaats 
na deze, die aanleiding geven kan lot de meening, dat Aristo- 
phanes vier schouwspelers gebruikt heeft , vindt men in vs. 
821 vlgg. Men ziet daar sleebls drie personen op het tooncel, 
Bbelycleon , Philooleon en Sosias ; maar weinige oogenblikken 
laler (vs. 835) treedt ook Xanthias op , zonder dat men eenig 
bewijs heelt, dat Sosias voor dien lijd heengegaan is: hier 
zouden dus, zoo men de codices vertrouwen mogt, vier 
schouwspelers benoodigd geweest zijn. Doch het is met dü 
zaak even zoo gesteld als boven : Aristophanes heeft er niet 
aan gedacht om Sosias, die van vs. 144 af de rol van Philo- 
CLEON vervult, op deze plaats te laten optreden: maar grarti' 
malici van lateren tijd hebben zich van hem bediend, om zich 
ZOO tamelijk te redden uit de moeijelijkheden , die eene ver- 
keerde verdeeling van de verzen bier had doen onstaan. De 
plaats, waarvan ik spreek, luidt thans als volgt: 
*IAOKAEflN. 

821 u Sio-Tfld' vjpix; , üg xx^ctto^ xp vi^d' ;Sfi?v. 

822 oïédTTtp fiiMv 0xlvsTXi K^süwfiog. 



GETAL DER SCBOUWSPELGRS. 33 

znsiAS. 

823 ovicovv ix^i y' «yS' «uto? ij'/jw? Siv ó'ttA». 
BAEATKAEflN. 
e\ óêcTTOV ixxii^oi/ ah , 6»tt9v xv 5/x>)1/ 

SKXXOUV. 

Men wist liier met vs. 823 geen raad : aan het . voorgaande 
vers liet het zich niet aanknoopen ; met het volgende kon men het 
evenmin verbinden; het scheen daarom het gemakkelijkst, Sosus 
uit de lucht te laten vallen , om dit eene vers uit te spreken 
en daarna spoorloos te verdwijnen. De zaak laat zich echter 
op eene hetere wijze schikken , zonder dat men daarbij de 
tusschenkomst van dezen nieuwen Deus ex machina behoeft. 
Vers 822 behoort niet aan Philocleon maar aan Bdelygleon» 
vers 825 niet aan Sosus maar aan Philocleon. Men schrijve 
dus: 

*IAOKAEnN. 

821 u SeVffflö' ïipai , u? %»}.£7roi xp" ^<t6" IhTv. 

BAEATKAEIIN. 

822 oUvirep iiiiïv ^xIvstxi K^tèuuiioi. 

<I>IAOKAEXlN. 

623 ouxovv exet y' ovV .xiirh yifU9 uu ottXx^ 
BAEATKAÈflN. 
tï ixrtov ixxêH^ou au, kts, 

In den verderen loop van hel stuk komen nergens meer vier 
personen te gelijk op het tooneel ; want de verzen in het regts- 
geding der heide honden (vs. 905 en vss. 936 — 940) , die men 
vroeger, gedeeltelijk op gezag der codices, aan Sosias plagt toe 
te schrijven, zijn reeds lang door de uitgevers aan üdelycleon 
terug gegeven '. 

De uitkoDist van ons onderzoek is, gelijk men ziet, zeer 
verschillend van die , welke K. 0. Muller verkregen heeft. 
Er zijn in de Wespen niet alleen geene tooneelen, die door 
meer dan drie schouvvspelers worden uilgevoerd , maar eene op- 
lettende beschouwing van sommige gedeelten der komedie kan 



') Dr. KiERi \eeli mij op nog eene plaats opmerkzaam gemaakt , die aan 
mijne aandacht ontsnapt was. Vers 458 , dat in de uitgaven op naam van 
S<MIAS staat , behoort niet aan dezen , maar aan Bselicieon. 



34 De Wbspen vaw Aristophanes. 

ons zelfs doen zien , dat de dichter door het gebrek aan eenen 
vierden wel eens in het naauw gebragt is en zich heeft moeien 
behelpen. Wat de rol van Philocleon betreft , die hij om die 
reden door denzelfden schouwspeler beeft laten vervullen , welke 
in het begin als Sosias was opgetreden , heb ik dit boven reeds 
aangemerkt. In het regtsgedirig der twee - honden komt het 
gebrek aan eenen vierden schouwspeler nog duidelijker voor 
den dag. Bij die gelegenheid zijn drie personen op het too- 
neel aanwezig, Philocleon, als regier, Bdelycleon, die voor 
thesmotheet speelt en Xan'thias , die de twee honden voorbrengt , 
en daarop voor den hond spreekt, die aanklager is. Zoo nu 
Aristophanes nog een' vierden schouwspeler gehad had, zou hij 
dien ongetwijfeld gebruikt hebben, om de verdediging van den 
beschuldigden hond voor te dragen, even als Xanthias dit voor 
den aanklager doen moet. Maar hij had er geenen, en is dus 
gedwongen geweest, in strijd met de gebruiken der Attische 
regtspleging, Boelvcleon tegelijk als thesmotheet en advokaal 
van den beschuldigde te laten optreden. 

De verschillende rollen van het stuk waren , naar het schijnt, 
op de volgende wijze onder hel drietal schouwspelers verdeeld. 
De protagonist of eerste schouwspeler vervulde de rol van Boe- 
lvcleon , den hoofdpersoon : de tweede of deuleragonist was bij 
den aanvang Sosias, maar van vs. 144 af Philoclbon, de derde 
of trilagonist had tot vs. 1352 geene andere rol als die van 
Xanthias, maar werd van daar af met snelle verandering van 
kostuum eerst een aanklager (zie de aanleekening van Dr. Hir- 
scHic op VS. 1531, Annol, Criticae p. 7S) , dan de broodverkoop- 
ster (vs. 1588), en eindelijk een tweede aanklager (vs. 1417): 
van vs. 1474 af tot het einde verscheen hij weder als Xanthias. 



II. 

Vs. 5. XXKOV UpX TXÏq wXBvpxTi Tl Tpov0el>,£ti (iéyx, 

In de codd. RV. leest men irpoScpsi^si. De uilgevers hebben 
ten onregte daarvan gemaakt 7rpov<pel^eii;. De zin verlangt een 
imperfectum, dat de scholiast hier ook gelezen heeft, blijkens 
zijne uitlegging u<psiXe<; , ixpedmit. Men schrijve 7rp&cpii>,sq. 



VSS. 3, 13 VLG6., 24 VLGO. SS 

vt. 13 vlgg. xctï ^^r' 'óv»f óxufixvrov eï^ov ctprlui. 

snziAs. 

xxyay'' «Aijtfw? olov ov^svèirore ' 
drxp ffu Af?fl)/ TTpórepos. 
De twee laatste verzen zijn verkeerdelijk aan Sosus alleen 
toegedicht : zij moeten tusschen hem en Xakthias verdeeld wor- 
den, op de volgende wijze: 

2X12IAS. 

HANdIA2. 

SflEIAS. 

&Tctp <rb hi^ov vpÓTtpoi;. 

VS. 24 vlgg. HANdlAS. 

^liot , t/ Sj}t« (iot xxkIv ytVlIl^ETXl 

liévTI TOIOVTOV il/VTTIItOV; 

rnsiAs. 

fiil (ppovTtr^? • 
26. ov'Sh yxp sarxt "Ssivov , oii (ix Toi/i deoóg. 
HAN0IA2. 
ieivóv yé ToSvr" xvipawog xrro^x^iiv ottXx. 
Vers 26 gaat aan hetzelfde euvel mank als vers 14. Het is 
geheel op naam van Sosias gesteld, ofschoon dezen slechts de 
helft er van toekomt. Men schrijve: 

znsiAs. 

Iiif (ppovTÏir^i • 
oiiiv yxp ivTi itiviv. 

EANeiAS. 

'ieivév y' ?t' ïvt' xvSpawoi; x7rol3x?,uv 'óirXx. 
Behalve de verdeeling tusschen Sosus en Xanthus, heb ik 
in VS. 26 van het futurum ia-rxi een praesens gemaakt. Dit 
was noodzakelijk, want ietvév heteekent hier niet een gevaar 
of iets ijselijks , dat men misschien in de toekomst te wachten 
kan hebben , maar zoo veel als het Latijnsche gerundivum , me- 
tuendum, en wordt gebruikt van eene vrees, die reeds aanwe- 



36 ÜE Wespen van Aristophanbs. 

zig is. Van meer belang is de verandering, die het volgende 
vers ondergaat. Afgesclieiden van vs. 26 en geschreven, zoo 
als in de codd. gevonden wordt, is het mij altijd onverslaanbaar 
gevireest. Hoe toch kan een niensch , die zijne wapenen weg- 
geworpen heeft , geschikt zijn om vrees in te boezemen ? Het 
ongerijmde hiervan , gevoegd bij de ongepastheid en overtollig- 
beid van ou (ax roin êsoó? , als slotwoorden van Sosus , heeft 
mij op bet denkbeeld der thans voorgestelde verdeeling gebragt. 
Zoo men haar goedkeurt en buitendien yê toSitt', dat daarmede 
niet bestaanbaar is, verandert in y" h' ss-t', krijgt men eenea 
zin , juist zoo als men bier wenschen zou : » bij de goden , het 
is waar, een mensch , die zijne wapenen weggeworpen heeft , is 
niet meer Ie vreezen." 

VS. 47 vlgg. snSIAS. 

oSxouv txeïv" »>iXéxoTOv , o Qéupoi nópx^ 
yiyvifievoi ; 

EANeiAZ. 

ytXKTT , «AA' xpilTTOV. 

snziAs. 

HAN0IAS. 

ivdpUTOi UV XTC. 

He superlativus ipta-Tov is niet het woord, dat hier door den zin 
vereischt wordt. Men zal dit met mij eens zijn, indien men 
zich debeteekenis yan x^xóxotov juist voorstelt en bedenkt, dat 
upuTTov daar tegeia over gesteld wordj en het tegendeel beteeke- 
nen moet. 'Aaaaxoto^ heet in het algemeen elke zaak , die ons , 
om welke reden ook , vreemd en zonderling schijnt en van het 
bekende en alledaags<;he afwijkt. Daar echter alles, wat van 
dien aard voorkomt , onzen geest , om zijne nieuwheid , onbe- 
grijpelijk en raadselachtig dunkt, is het niet te verwonderen, 
dat men ook dezen laatsten zin aan het woord gehecht heeft. 
Aristophanbs zelf leert ons, hoe naauw die gedachten aan elkan- 
der verwant zijn, in vs. 71 vlg. 

vóvov yocp o Trxriip d^^ixorov xvroü voael , 
vjv ouV XV sh yvolvi itor oviSi ^vpijBccKoi. 



VSS. 24 VLGG. , 47 VLGG. , 62 VLG. 37 

Zoo bedoelt ook Sosus in vs. 47 met »KxéxoTov niet alleen 
het vreemde en ongewone , maar meer nog het raadselachtige 
van de zaak. Dit blijkt duidelijk uit het antwoord van Xah- 
THiAS een paar verzen later, waar hij, om te bewijzen, dat 
SosiAS ongelijk heeft en de zaak lang niet «xxókotoi; is , haar 
als eenen gr'iphus behandelt , welks oplossing voor de hand ligt. 
Omtrent den zin , dien wij aan «)>.xókotov hechten moeten , kan 
dus geen twijfel beslaan: de vraag is thans of Xanthias in zijn 
antwoord den superlaüvus «ptvTov daar tegenover heeft kunnen 
stellen. Ik houd het voor onmogelijk: men verlangt hier een 
woord , niet dat goed of heilzaam , maar dat U(jl (e raden , 
natuurlijk, eenvoudig beteekent. Zulk een woord is 'ptfSiov. 
ËUBiPiDEs , die het in dien zin gebruikt , stelt het naast v»<piq , 
Iphig. in Aulide vs. 400: 

TXÜTx (rot (3pxxéx xiXiKTXt kx) (rx(p!j kx) p^^ix. 
Waarschijnlijk had Aristophanks den superlaüvus p^jrov ge- 
schreven, die naast het voorgaande iAA« slechts eene letter 
van xpKTTov verschilt. Men leze derhalve: 

snsiAS. 

ovxovv èneiv" xMokotbv, ó óéupo? xópx^ 

HAN0IAS. 

Men ziet, dat ik hier behalve xpurrov ook het praesens yiyvéiis- 
voi iti den aorislus veranderd heb. Ieder oplettend lezer zal 
de noodzakelijkheid daarvan met mij gevoelen. 

VS. 62 vlg. oiy «/ KXéuv i^xfi^e t?« tvx>K xiptv , 

xZhq rlv xvtIv xv2px (iUTTUTetirofiêv. 
Men moet hier onder Cleon niet den demagoog zelven verslaan, 
maar den Cleon , dien de dichter in zijne Ridders op het loo- 
neel gebragt heeft. De beteekenis van bet verbum lKx(i.^e komt 
dus geheel overeen met die van xpiirr' ^xovirxrtiv in de Wolken 
VS. 529: i aicpptav ts xw Kxrxvüyuv «pivr" iiK0v7XTviv. De zin 
is : » em omdat mijn Clbom eens door goed geluk luid toegejuicht 
is, zal ik niet voor de tweede maal denzelfden man onder hel 
hakmes leggen." Daar echter de woorden K^éuv ï^x/i^^e, op- 
zich zelve' genomen , ook kunnen beleekenen, » Clbon is in eer 



38 De Wespen van Aristophani;s. 

en aanzien gekomen ", en kier dus aanleiding is tot een bespot» 
telijk misverstand, acht ik het niet onwaarschijnlijk, dat Ari- 
STOPHANis geschreven heeft : 

Men weet , dat Cleon in de Ridders overal optreedt als de Pa- 
phlagonische slaaf: een scholium heeft dit woord hier ligt kun- 
nen verdringen. 

V*. 64 vlgg. «AA' hriv ^imv Xoyi^iov yvdiaiv e%ov , 
vfiüv (ih ctCirav oy%) ie^türepov , 
xuficfi^ixi; Sè (poprixiis (TO<puTepov.\ 
Vers 65 is voor geene gezonde uitlegging vatbaar. Een dicht- 
stuk kan met een ander dichtstuk , een inensch met eenen an- 
deren raensch vergeleken worden; doch hoe een dichter zijn 
werk, als in dit vers, met de toeschouwers vergelijken kan, 
gaat mijn begrip (e boven. Het pronomen vfiüv is bedorven. 
Men leze: 

illiüv [iiV xiiTÜv oy%) iê^türepov. 
'Hfiüv (itv civTÜv, d. i. KU(icfiH»i [iiv vt' uutov ifiov ircirotvj(/,B- 
vtft;. Abistophanes schijnt van oordeel geweest te zijn , dat hij 
nog wel iets beters kon maken dan dit stuk. Het vermeer- 
dert de waarschijnlijkheid der emendalie , 'iiZi aiiTÜv, hetwelk 
hier hij üfiüv niet voegde, naast ^ftüv juist op zijne plaats is. 

VS. 74 — VS. 8B. 

De samenspraak tusschen Xanthias en Sosias , die wij hier 
lezen , bevat telkens eerst het antwoord , waarmede een der 
toeschouwers hel raadsel van Xanthias poogt op te lossen en 
dan het oordeel over die poging. De rollen zijn zoo verdeeld, 
dat de oplossing telkens door Xanthias, het oordeel er over 
daarentegen door Sosias wordt ntedegedeeld. Het gezond ver- 
stand kan hiermede geen genoegen nemen. De toeschouwers, 
die eigenlijk raden moesten, namen aan de handeling geen 
deel; de dichter was dus verpligt, een' ander voor hen Ie laten 
optreden ; doch hetzij hij tot dat einde aan Xanthias of aan 
Sosias de voorkeur wilde geven , de taak , om het oordeel over 
elk antwoord uit te spreken en over de juistheid er van te 
beslissen , moest in elk geval aan hem verblijven , die het 



VSS. 62 VLG. , 64 VLGG. , 74 VLGG. 



59 



raadsel ter oplossing had voorgesteld, die ten slotte aan de 
vergeefsche pogingen van het publiek een einde maakt, en die 
het geheim openbaart, dat is niet aan Sosus, maar aan Xan-> 
THiAS. Aristophakes heeft dit niet kunnen voorbij zien en , zoo 
hij eene zamenspraak gewild heeft , ongetwrijfeld Sosias voor het 
publiek laten spreken , en Xanthias laten oordeelen , op de vol- 
gende wijze: 

snziAS. 

tïvxi (pixéw^ov xütóv. 

EANeiAS. 

«AA' ovièv ^è^st 
fix AP , «AA' «0' xirev Ttiv vóirov rextAxlperxt. 

SilSIAS. 
05/ 5i <p>]<n "Zasfrlxi 7rpo9 AtpKÜ?,ov 
elvxi ^i)\.OTÓT)fv xOtóv. 

HAN0IAS. 

oiiix/AUi y' , iirs) 
xxjtJi ye Xp^fTÜv irriv xvipav vi vóffo?. 

zaziAz. 

"SiKÓtTTpxTog 5' XV Cp>ir)v i Xaxfi^mi^vi? 

eïvai (pi^oêÓTiiv xuriv i} (pt^ó^tvov, 
BAN©IA2. 

fix rèv Kvv" , u 'üixótTTpxT' , OU (piJ^é^tvog y 

èirsi KXTXTTÜyuv èo-r/v o ye <Pi\é^eve?. 

«AAa? <pAü«p«7r', oi yxp è^supi^asTt. kt's. 
Men zal opmerken dat ik vi. 77 : 

ouK, «AA« (piho fiév èvTiv xpxh TOV xxxoü 
hier niet heb opgenomen ; wij komen daar spoedig op terug. 

Het grootste bezwaar, dat de plaats opleverde, wordt door 
de voorgestelde verandering weggenomen: echter is deze schrijf- 
wijze niet in elk opzigt voldoende. Wel beschouwd had Abi- 
stopbanes geene reden, om de antwoorden van Amïnias en de 
overigen door een ander als Xamthias te laten voordragen. Het 
is waar, Xakthias komt met het publiek niet in aanraking, en 
men kan vragen, hoe hij telkens verneemt, wat deze of geene 
zegt. Doch men moet niet al te veel willen weten, en buiten- 
dien Sosias is in dit opzigt er niets beter aan toe dan Xakthias. 



40 Dk Wespen van Abistophanes. 

Ik begrijp dus niet waartoe de tusscbenkomst van Sosias dient, 
en houd het voor waarschijnlijk , dat AntsToPHANES de rede 
heeft laten doorloopen. Het gezag der codices moet ons niet 
doen wankelen : want tegenover den Ravenna» en den Venelus 
staan de veel oudere boeken en commenlalores , die de schrij- 
ver van het volgende opmerkelijke scholium (op vs. 75) nog 
heeft kunnen raadplegen : nvif ufioi^xlx • %«^<^9-Tfp0v 'Si Ai- 
yeaéxi axnx (rvvex^g Trpog Ivóf, Men ziet uit deze woorden , 
dat de tekst der plaals niet vast stond, maar door verschil- 
lende geleerden op verschillende wijze werd geregeld. Onze 
keuze is dus vrij en niets belet ons, aan de volgende schrijf- 
wijze, zoo zij ons oordeel beter voldoet, de voorkeur te schenken: 
'Afivvlxi fiiv ó TipovxTtou? $)j^' ovtovI, 
fJvxt Cpt^óxv(3dv xvriv ' «AA' ovTev xèyei 
fix Ai', «AA' x(p' xuTov rifv vóaov TsxfixlptTXt, 
oi) ié <p>ii7t 'Zcoiri»'; vpoi; AepKtixov 
tïvxi 0i>,o7rÓTViv xutÓv , oiiix/iüi y' , Ivii 
OMTvt yt xpv^aTav èvTiv xvipüv i} vóvof. 
'SiKÓa-rpxTOi S' XV <p)ta)v i 2x«jM/3«i//Siff 
tlvxi (piXoévTviv xvriv yj (ptXé^evov. 

fiX TOV Kliv\ S) tilKÓffTpXT , OV (plXÓ^lVOi; , 

sjre) xxTXTTÜyuv êiTTiv o ys ^iXÓ^euof. 
xXXm ^WxpelT ' OU yxp i^suptijSTS jctI. 

Eer wij van deze plaats afstappen, moet ik nog een paar 
woorden zeggen over vs. 77 : 

ovK, xKXx <pt>^o (liv èiTTiv xpxvi roïi kxxov. 

Dit vers is door mij in den tekst niet opgenomen , niet om- 
dat het tegen de door raij voorgestelde schrijfwijze schijnt te 
pleiten , maar omdat het niet van Aristophanes en geïnterpo- 
leerd is. Ik zal de voornaamste redenen , die mij tot deze 
overtuiging gebragt hebben , bier opnoemen. Het vers wordt , 
om met het gezag der codices te beginnen , in den Rav, en Ven. 
gevonden , maar moet den veel oudere geleerden , wier mee- 
ning door den Scholiasl vermeld wordt {rivl? xfioifixTx , xxpi- 
ijTspov ii xèysiréxi xvtx vuuex^? t/jö? êvéi) , onbekend geweest 
zijn. Die althans onder hen , welke bier aan eene doorloopen- 
de rede de voorkeur gaven, zouden, indien zij van vs. 77 ken- 
ijis gedragen badden , geheel anders hebben moeien oordeclen. 



\ss. 74 viec, 100 vlg. , 156 vlgc. 41 

Men behoeft de plaats, met inbegrip van het vers, maar even 
over te lezen , om zich hiervan te overtuigen. Hiet staat dus 
tegenover de codices een ouder en eerwaardiger gezag, dat te- 
gen de echtheid van het vers getuigt. De bezwaren, die het 
vers zelf aanbiedt, zijn mede zeer gewiglig. Het is een ant- 
woord op de gissing van Amynias, die reeds is beantwoord; het 
wordt uitgesproken door Xanthus, welke die gissing zelf had 
voorgedragen , en zoo hij nog eene aanmerking daarop maken 
wilde , aan deze in elk geval een' anderen vorm had moeten 
geven; het maakt eene goedhartige uitzondering op de overige 
gissingen en antwoorden op deze plaats , die allen met het doel 
geschreven zijn, om dezen of genen Athener bespottelijk te ma- 
ken. Ik hoop, dat deze redenen voldoende zullen zljn> om mijn 
oordeel te regtvaardigen. 

VS. 100 vlg. Tov ci>,exTpuivx V , oq ^5' «<?)' ijTripx^ l(J>)} 

ot^' è^eyelpetv ccuriv , xrè. 
Het pronomen 8? is hier niet op zijne plaats. Men leze: u? 
JS' i<J>' ijirèfxi. 

VS. 136 BAEATKAEflN. 

vlg. u Uxvilx Kx) "Lutrlx , xxitvisrs ; 
HANeiAS. 
cnfiot. 

znsiAS. 

t/ Io-t; ; 

BANeiAS. 

B$cAvx>.i«v XvtlTTXTXl. 

Niemand zal zich verwonderen, dat Xanthias op het hooren 
van de stem zijns meesters een zucht slaakt; doch het is min- 
der natuurlijk , dat Sosias die zucht niet begrijpt en dat Xan- 
thias het noodig oordeelt, hem daarvan reden te geven met de 
woorden B5f AüxA,i«y iviiTTxrxt. Men zou denken , dat het luide 
geroep van Bdblycleoh duidelijk genoeg getoond had, dat hij 
niet meer sliep en die uitlegging overtollig maakte. Ik houd 
mij overtuigd, dat hier eene omzetting heeft plaats gevonden. 
Men leze : 



42 Ofi Wespen van Aristophanbs. 

2nsIA2 

olnoi. 

SAN0IA2. 

t/ Ifl-T/ ; 

znsiAS. 

B^fAuxAfMv eni'vTXTCti, 
BAEATKAEnN. 
w axvdix K»i "Lwalx , KxSeüieTf ; 
De zucht komt niet van Xanthias, maar van Sosias. Deze 
heeft, terwijl zijn makker tot het publiek sprak en met den 
rug naar het tooneel gekeerd stond, Bdeltcleon in het oog ge- 
houden, en ziet het eerst, dat hij zich gereed maakt om op te 
slaan. Daarop breekt bij de rede van Xanthias af met een 
zucht. De vraag van dezen , het antwoord van Sosias en de 
roepstem van Bdeltcleon volgen nu van zelf. 

VS. 173. ft* At" «AA' &ii£ivov. «AA« Tbv Hvov l|«y£. 
De scholiast, zoowel als de geleerden van ónzen tijd zijn van 
gevoelen, dat Bdeltcleon met de woorden «AAa tIv ovbv i^xye 
een bevel aan zijnen slaaf geeft. Doch Boelycleon was tot hier- 
toe met zijnen vader in gesprek geweest, en moest, zoo hij 
eensklaps het woord tot een ander rigten wilde, dezen over- 
gang door het pron. pers. 96 laten gevoelen. Nu het pronomen 
ontbreekt , is men verpligt die woorden even als het vorige 
op Philogleon te belrekken ; maar de zin verzet zich hier te- 
gen. De oorsprong van het bezwaar ligt in de slordigheid der 
librarii. De tweede helft van het vers is niet van Bdeltcleon, 
maar van Philoclbon, die zich houdt als of hij toestemt, maar 
indien zijn zoon den ezel het huis uitbrengt, voor Ulysses zal 
gaan spelen. Het gebruik Tan <kaa<% bij toestemmende antwoor- 
den is bekend. 

VS. 177. «AA' ehidiv (ioi rlv ovov è^iyeiv "èoKÜ. 

Dr. Kappbtne van deCoppello, Observ. Cril. pag. 16 zegt te- 
regt , dat de constructie in dit vers een futurum verlangt , en 
zou dus è^x^siv voorstelleu, zoo Bdeltcleon zeggen wilde, dat 
hij voornemens was om den ezel zelf te halen. Maar hij ge- 
looft, dat de slaaf daartoe van hem last ki:ijgt, terwijl hij zelf 



vss. 136 VLGG., t73, 177, 228 vlo., 255 vlgg. 43 

op het looneel blijll. Dit is natuurlijk ; want hij houdt met 
alle anderea de woorden van vs. 173 «aa« rhv Ivov i^xye 
Toor een bevel van Bdeltcleon aan den slaaf. Doch wij heb- 
ben gezien , dat die woorden van Philocleon zijn : niets belet 
ons dus, om aan te nemen dat Bdelycleon na vs. 177 vlg.: 
d^h' èltriév (ioi tov avov i^x^eiv ioxu , 
Swwt xv o yèfwv (tt{Siè irxpxKxi^^ vxXiv , 
zelf het huis binnen treedt , en een oogenblik later met den ezel 
terugkomt en vervolgt: 

xxy6uv , t/ xhitiq ; xrl. 

VS. 228 vlg. fiii (ppovrh^if êxv êyoi Xlèovq l%« 
70AA«V tlKXITTÜV <r(p>iKtxv itxffxsiS. 

Hen schrijve hier in plaats van êxv, u? ccv êycn >,ièovg Ix" 
KT£. Op die wijze wordt het asyndeton weggenomen en de par- 
ticula causalis , die n&iiyi (Ppovrh^i; niet wel gemist kan worden, 
in het vers terug gebragt. 

VS. 233 vlgg. u XTpv/ió^ups Kov$v>.£u , ^s>>Tivre cvvhicxvTÜv , 
EvepyiSt}? xp' hri irov ^vtxü6\ tj X«/3>?ï ó ^Xusva 
vxptfé* o Sij >,onóv y' ?t' èariv, AifKXTxi vxTrxid^ 
jj(/3>>$ ixsivifi; , xts. 
Het koor is van de tegenwoordigheid van Ecergi&bs en Ghabbs 
lang niet verzekerd. Het zou natuurlijk bij STRVMöDoaus anders 
geen navraag doen , en vooral niet met bijvoeging der partikel 
TTov, die de uitdrukking van twijfel en onzekerheid, die reeds 
in eene vraag ligt, nog versterkt. Maar zoo het koor van het 
bijzijn dier Iwee veteranen niet in het zekere onderrigt is, be- 
grijp ik niet, hoe het in het volgende vers stellig komt te we- 
ten, dat de nog levende krijgsmakkers van Byzantium thans al- 
len bij elkander zijn. De twijfel in het vorige vers is met de 
hier uitgesprokene overtuiging niet overeen te brengen. Ik houd 
het daarom voor waarschijnlijk, dat de dichter aan t>«. 234 niet 
den vorm eener vraag gegeven had, en zou met eene kleine 
verandering aldus willen lezen : 

Eispyll*ig yxp hri irou 'vTXvê) X«j3)}$ ö' ó ^^vevf , 
Het koor regtvaardigt dan in dit vers bij voorbaat de stellige 
verzekering, die het in hel volgende aflegt. Ik heb buitendien 



44 Dfi Wespen van Aristopha^es. 

ivTxüS' ij xi(3>ti ó <P^u£vg veranderd op de vrijze , die men ziel , 
omdat het koor niet van één van beiden spreekt, onverschillig 
Trelken , maar van beiden te zameu. 

vs.t^dvlgg. <Jaa' oiiTotrl (<i,or^óp(Sopog ^xherxi tcxtoüvti' 
xoiix e(r$' i'iru? 011% yiiiepüv TSTTipmv to itXeivrov 
vtup KvxyKxiag Ixti tIv 6ehv TOiif^xt. 
Zoo men deze plaats juist wil beoordeelen, moet men vooral 
de weersgesteldheid in aanmerking nemen, die, toen dit stuk 
vertoond werd , in Allica heerschte. De dichter geeft daarover 
hier eenige wenken. Het koor zegt , dat de veldgewassen naar 
water verlangen {vs. 263) , en berekent nit de teekenen , die 
zich voordoen, dat men spoedig op water hopen mag: bewijs 
genoeg, dat men op dat oogenblik door droogte leed. Het zal 
daarom zeker de meeste lezers , even als mij , verbaasd heb- 
ben , dat de bodem onder die omstandigheden niet hard en 
droog was, maar vochtig en modderachlig , zoodal het koor 
bem onder het gaan met een moeras vergelijkt (ys. 259). Dit 
is een raadselachtig verschijnsel; maar de gevolgtrekking, die 
het koor er uit afleidt , is niet minder zonderling. Wij allen 
zouden uit de vochtigheid van den grond hebben opgemaakt , 
dat het al geregend had ; maar het koor keert de zaak om ; 
het ziet daarin een bewijs , dat het binnen vier dagen regenen 
zal. Dit alles is in het oog loopend ongerijmd; men zal mij 
toestemmen, dal Aristopqangs zulk een onzin niet heeft kunnen 
schrijven. De plaats is blijkbaar bedorven : in den cod. V. 
leest men niet ^óp(3opoi;, maar l3xp(3xpo?i men schrijve: 

«;^A' OVTOjI (iOt fiXp/iXpOS (pxhsTXI JTXTOVVTl' 

d. i. » de grond schijnt mij' onder het gaan hard als steen" 
Aristophanes gebruikt ^xpiixpoi; wel meer in plaats van yiêoi; ; 
zie Acharn. vs. 1172. De gevolgtrekking van het koor wordt 
thans zeer eenvoudig en natuurlijk; zij steunt op den regel, 
dat elke zaak die een uiterste bereikt heeft, niet lang meer 
duren kan*. 



3) Bij het stellen deier aanteekening had ik de laatste editie van Asisroru- 
>gs door Bergk nog niet gezien , en was het mij bij gevolg onbekend , dat de 
liier voorgestelde vcibclering door deien reeds gemaakt is. 



vss. 233 VLGG. , 2ij9 vlgg. , 264 vlü., 359 vlgg. 4^ 

Misschien zal men lot verdediging van (3ópf3opog in het mid- 
den brengen, dat de knapen, die het koor vergezellen, ook 
van modder spreken en dus de grond werkelijk vochtig wezen 
moet (a-jjAö?, vs. 248, 257.). Maar de knapen drijven den spot 
met de zwakke zintuigen der oude mannen , en dreigen hen 
slechts met het slijk , omdat zij gaarne onmisbaar willen zijn. 
Doch de ouden bemerken het bedrog en geven dit te kennen 
in VS. 259. 

vj. 264 y/rjr. ^lÏT»! Sf Kx) rüv xxpirlfiuv xttx fi>i Vr/ Trp^x 
u^up ysvéi^ixi KxirnvvsvxTXi (2ópeiov xurolt;. 
Iedereen zal meenen , dat in een' tijd van droogte vooral de 
vroege veldge wassen , die het eerst rijpen moeten , naar regen 
verlangen. Het koor is evenwel van een tegenovergesteld ge- 
voelen en bepaalt, met uitsluiting van de vroege gewassen, de 
behoefte aan nat weder tot de lateren. Dil is in elk geval on- 
gerijmd, maar meer dan ooit bij deze gelegenheid: want de 
Wespen zijn, blijkens de didascaUa, opgevoerd bij het feest der 
Lenaea, in de maand Anlheslerion , d. i. de eerste helft van 
Februarij , eenjaargetijde, wanneer men zelfs in Hellas aan de 
latere veldvruchten nog niet denken kan. Men schrijve: »ttx 
y' «Vt/ ■irp^x. Ook in het volgende vers is door de slordigheid 
der librarii eene grove fout ingeslopen. Het koor zr-gt, dat de 
veldgcwassen henevens regen , om hun groei te bevorderen , 
een' noord-oostewind {iSépstoi;) behoeven. Maar de noord-oosle- 
wind gaat in Hellas, evenmin als bij ons, zanien met regen- 
achtig en vruchtbaar weder, allerminst in het begin van Fe- 
bruarij , wanneer hij vorst of sneeuw medebrengt. Xenopu. 
Cyneg. 8. 1. otxv sTrivicp-/i kx) ^ (Sópiiov. Het koor heeft dus 
hier van den (Sépsio? niet kunnen spreken, maar (3óp£ioy is eene 
corruptie van êépeiov , zomer sch , dat als arftJcrftium gebruikt aan 
de plaats den zin geeft, dien men hier verwacht. De beide 
verzen luiden nu aldus: 

'SeÏTXt S« K») rüv KxpwiiAKV , xrrx y' è<jTt Ttpösx , 
v^up yevé(7'öxt kx^tittvsü^xi óépeiov xuroïi;. 

VS. 359 vlgg- vüv §« ^vv JVxa/? 

xv^psg ÓwXTtxi ^ixTx^xfcevot 



46 De Wespen van Aristophanes. 

Het personeel, dat Philocleon bewaakt, bestaat, behalve BoELr* 
GLEON , uit een hoop met stokken (ys. 458), braadspilten (vs. 
364) en andere wapenen van die soort toegeruste slaven. Men 
gevoelt, dat Philocleon die lieden niet wel hopliten heeft kun» 
nen noemen. Waarschijnlijk had Aristophanes geschreven: 

VS. 415 vlgg. BAEATKAEflN. 

uy»So) , To irpZyfi'' ixovvxr', aAA<è (iM KtKpiysTe. 
XOP02. 

v^ A/', i? riv oèpavév y'* w? toü5' iyai ov fteStirofixi ' 

t«Dt« iiJT Ou ^eivx xx) rupxvvli èvTtv i/i^xviifi 
De tweede helft van vs. 416 wordt ten onregte aan het koor 
toegeschreven. Zij is van Bdeltcleon, welke met die woorden 
te kennen geeft, dat bun geraas geen indruk op hem maakt en 
hij daarom Philocleon niet los zal laten. Men vindt dezelfde 
constructie in de Acharners vs. 335: «? xjroxTtvu Kixpxxi'' ^yw 
yxp ovx xxoü(TOfixi. Vers 417 is weder van het koor en doelt 
op de woorden van Boelvcleon. Men schrijve dus : 
BAEATKAEilN. 

uyxSói , rè Trpxyt* Axoü<rxr' , ih.Xx (mi xsxpxysu. 

xopoi;. 

vil Ar, ii rbv oiipxvóv y'. 

BAEATKAEAN. 

Ui TCDS' iyi) Ou (AcêviJOlAXt. 

X0P02. 

Txürx 5?t' OU ieivx xx) TupxvvU ivriv i(A^xvyiq ; 

VS. 443 vlgg. oühsu tüv irxXxt fiffiv>j[iivoi 

^i(p9tpüv xx^ufiHuv , xg ourof xuroTg ^(ivéXx 
xx) xuvxg xx) Toug iro^xg ;^f//x«va$ hrog i^iXti , 
uffTS fiii piyüv èxxaror ' 
De coniunclie xxl zonder meer stelt geen verband daar tusschen 
de woorden roi/g irólxg x^'f^^vog êvrog uCpéxsi en het participium 
(iffivijiiévoi , waarbij zij behooren. De dichter had tot dat ein- 
de of ug moeten gebruiken of een relalivum, waardoor het 



vss. 3Ü9 VLGG., 410 VLca. , 443 vlgc, 480, S64 vlgg. 47 

middel werd aangewezen. Het laatste komt mij waarschijn» 
lijker voor. Misschien had Aristophanes geschreven: xxi xuvav 
%aJi (d. i. xx) TÜv ifi(3d^av , oïïq) rov? rrSSxg xeifiüvo^ ÜvTOt 
(i^iAf/ xtI. Men vergelijke vs. 447. Buitendien heh ik xwas 
veranderd in xvvüv , omdat van meerdere slaven gesproken 
wordt en de andere nomina mede pluralia zijn. 

VS. 480. cii'ii fiév y" oi)V iv vo^lvtfi ffouffT)v ouS' iv x^yivtf. 
De partikel (aïv moet hier plaats maken voor (i-liv , zoo als 
reeds door Dr. Hirschig in zijne uitgave der Wespen is voorge» 
steld. Dit is echter niet alles. De paraphrasis van den scho' 
liast, oiS^u <roi oCi^s xpx*l yèyovs tüv T«p' ^(lüv êtrofiimv , ge- 
voegd hij de lezing van cod. R. ttouvtIv in plaats van (roiffrlvt 
en bij de omstandigheid, dat de tweede ontkenning overtol- 
lig is , terwijl het pronomen niet gemist kan worden , maakt 
het in mijn oog waarschijnlijk, dat Aristophanes geschreven 
had: 

8vS^ (iiiv <rol y' Iv «A/vy vü<ft)v ovV iv TT^yxv^. 

VS. Ö32 vlgg. op^g yup «« 

(To) (iiyx?. irrh xyav 

X») tsp) TÜV ccTrivrav. 
Het koor heschouwt den strijd van Philocleon met Boeltcleon 
niet als eene zaak , die alleen Philocleon aangaat , maar als 
heslissend ook voor zich en het geheele yvfivxa-iov der wespen. 
Zie VS. 639 en 546. Men leze dus: 

ip^g yxp Ui 

fjioi (iiy-xt èiTTÏv éyiiv , xri. 

m, B64 vlg. cl fih y' ivox>.iovrM irtvixv xvrüv xx) TporTtéixra» 
xxxx Trpii To7e cZtrtv , sag Aviüv Siv 'nrèo'^ toïitiv êfioTviv. 
De overgang vaa den pluralis tol den singularis zoowel hier 
als in vs. 568 heeft sommige geleerden gehinderd en beide 
plaatsen voor bedorven doen houden; ik geloof, ten onregte. 
Wanneer men van eene zaak spreekt in het algemeen, maakt 
het dikwijls geen onderscheid of men den singularis of den 
pluralis gebruikt. Zoo beleekent b. v. i xii (3x7i^vav hetzelf- 
de als 01 xe) (3x(nXetjoyre<; en zou hier, wat den zin betreft. 



48 De Wespen van AristopIungs. 

even goed kunuen slaan ó fih iroK^isTxt — iii xi^n — è U 
vMÜiTTti , als de pluralis, dien men er nu leest. Dil is oorzaak, 
dal de dichter zich niet aan eenen pluralis gebonden acht , die 
alleen in den vorm, maar niet in den zin van den singularis 
verschilt , en wanneer het metrum dil vordert , niet aarzelt 
dezen Ie gebruiken. Vs. 565 is dus , naar mijn oordeel , in 
dil opzigl vrij van corruptie, doch heeft op eene andere wijze 
geleden. Ik bedoel het participium xviüv, dat voor geene uit- 
legging vatbaar is. De beteekenis van «viü is bekend: kwel'- 
ien, lastig vallen, hinderen, enz. Bij gevolg is de zin van 
tu<; dviüv XT£. » lot dat hij zijne ellende door mij te kwellen 
even groot gemaakt heeft, als de mijne." Niemand zal, denk 
ik , beweren dat dit hem voldoet en toch weet ik niet , hoe men 
^viüsv anders zou kunnen verklaren. Het woord is bedorven; 
Aristophanes had waarschijnlijk geschreven : 

d. is: » tot dat hij ten laatste zijne ellende even groot gemaakt 
heeft, als de mijne. De verandering van \iiyuv in civtüv is bij 

de bekende verwisseling van J. met a en ij mei v zeer ligt Ie 
begrijpen. 

VS. 57B. ap" oi) (teyxX^ toSt' ïvr' xpx*l ^^' "^"^ tMÓtou Kxrxxtjvii ; 
Dit vers zou hier beter gemist worden. Niet Pbilocleon, maar 
BoELYCLEON, die de hoofdpunten der rede telkens opteekent, be- 
hoort den inhoud van dit tweede stuk in de woorden toü vXoü- 
Tou KXTxxi^vi] zamen te vallen. Hij handelt met hel eersle sluk 
evenzoo, wanneer hij zegt vs. 559: 

tovt) T£p) rüv xvTi^oKoüvTuv iaru rè fivtt(/.é<rvvóv (iot, 
want Philocleon had niet gezegd, dat dit gedeelte de smeeke- 
lingen betrof en zelfs hel werkwoord xvTi^oXtlv niet gebruikt, 
maar enkel beschreven, wat bij den aanvang van het proces 
plagt te geschieden. Daarenboven is de herhaling van róv xXoó- 
Tou xxTxx*ivyt in twee op elkander volgende verzen voor het 
oor niet aangenaam en past de vraag «/»' oii fityx/,») tovt Io-t' 
xpx^' beter aan hel einde der rede, waar men haar bijna met 
dezelfde woorden terugvindt {vs. 619) , dan hier waar Pbilo- 
cleon nog niet zoo zeker van zijne zaak is. 



Vss. 864 Vlgg., 575, 576 VLG. , 978 vlgg. 49 

VS. 576 vlg. 

^sürepov xu (rou tout) yp»0o/^xi , Titv tov tt^ovtov xxtmx^^^*- 
Kx) TxyxS» fiot j(*i,av))5-' «%£<? cpxtrxuv riji 'EAA«So? xp^siv. 
Het tweede vers is niet van Aristophanes. Het komt op zich 
zelf reeds met de rol van Bdei,ycleon weinig overeen , dat hij 
zijnen vader voorzegt , welk gedeelte van zijn onderwerp hij 
hehandelen moet. Maar toch behoorde deze, nu zijn zoon hem 
uitdrukkelijk uilgenoodigd heeft, om over dat punt te spreken, 
niet te zwijgen, maar de voordeelen op Ie sommen, die aan de 
heerschappij van Athene over Hellas voor den regterstand ver- 
Londen zijn. Doch het schijnt wel , dat de oude heer het ver- 
zoek niet gehoord heeft; want dit onderwerp wordt niet alleen 
niet hier, in hel antwoord , maar ook verder in de rede nergens 
door hem aangeroerd. Daarenboven komt tik(ji,VYi(j:.xi , voor zoo ver 
ik mij herinner, met deze beteekenis in den imperativus niet 
voor, en is de manier, waarop het vers naast het vorige geplaatst 
is, zonder verband of overgang, Aristophanes onwaardig. 

i)s. 578 vlgg. 

irxl^uv Tohuv ^o}ti(ix!^o(zévccv r^'^oïx '!rxpe(rTi ósxirêxt , 
Kxv Olxypog shéf^Si/i (peiiyuv , oux xiroCpsüyei jrph xv ^(mv 
(K Tij? N/c/3j}$ sItti/i p}j(nv tjJv KxXXi<TTyiv xrroxè^xi; » 
x,xv «üAtjT»}? ye S/xjjv v/xf , t«ót>j$ vi(Üv èirixfip* 
sv (poplSst^ rdï(ri hxxtrrxJt; l^cSo» jfyA,;}^' xtcioïhtiv. 
De vijf hier door mij aangevoerde verzen zijn om verschillende 
redenen op deze plaats ongepast en aanstoolelijk. Vooreerst 
wegens de stelling , die zij in Philocleons rede innemen. De 
onderdeden der bewijsvoering zijn in die rede niet zonder orde 
verspreid , naarmate zij den spreker vroeger of later voor den 
geest komen , maar volgen integendeel geleidelijk en natuurlijk 
op elkander. Eerst spreekt hij van de looneelen , die bij de 
regtsgedingeii plaats hebbén , waarin de staat betrokken is 
(552—574) ; dan van de regisgedingen , die zaken van bijzon- 
dere personen betreffen (585 — 587) ; vervolgens behandelt hij 
de taak der regters in buitengewone staatsprocessen en den 
eerbied , dien de volksmenners nooit verzuimen jegens hen te be» 
toonen (590—600); eindelijk hoort men lot besluit, welk eene 
goede ontvangst hot salaris hem te huis bij vrouw en kinderea 



50 De Wespen van AniSTOPHANBS, 

verzekert. Zoo is de rede verdeeld, of liever, zoo zou zij ver- 
deeld zijD, indien de volgorde niet op ééne plaats schromelijk 
gestoord werd. Na het eerste gedeelte , dat over de staalspro- 
cessen loopt {vs. 574) , tusschen dat stuk en het onderdeel over 
de regtsgedingen van bijzondere personen , leest men thans de 
vijf bedoelde verzen , in welke Pbiloclbon een' zijsprong maakt 
van het onderwerp, en de zaak van een' kant beschouwt, die 
bij het oogpunt , dat hij zich overigens in dit gedeelte zijner 
rede gekozen heeft, wonderlijk afsteekt. Terwijl het hem in 
de stukken, die voorafgaan, zoowel als in die, welke volgen, 
alleen te doen is om de eer, de magt en de grootheid van den 
stand, waartoe hij behoort, spreekt hij ia deze verzen van het 
zingenol, dat er soms nieê gepaard kan gaan, het streelen van 
oogen en ooren door hel gezigt van naakte schoonheid , decla» 
malie en muzijk. Deze zoo verschillende beschouwing wordt 
door niets voorbereid of ingeleid, maar komt even onverwacht 
voor den dag, als wij een weinig verder {vs. B83) weder plot- 
seling van dit onderwerp op de regtsgedingen worden lerugge- 
bragt. In één woord het is een brokstuk , dat hoewel het tot 
de bewijsvoering van Philoclbon behoort, zeker oorspronkelijk 
niet op deze plaats gelezen werd. Het begin van het eerste 
vers kan mede tot bewijs hiervan strekken : 

TTxtèuv Toivvv ioxifict^ofiévuv T^ioTx iriptiTTi deScfixt. 
De partikel toIvvv moet dienen , om deze woorden of bij wijze 
van antwoord met het tweede vers van Bdelycleon (577) te 
verbinden , of om ze als vervolg aan de laatst voorgaande woor- 
den van den spreker zelven te hechten ; het laatste is te onge- 
rijmd, om in aanmerking te kunnen komen (zie vs. 574 vlg.); 
maar ook het eersle verdient naauwelijks eene wederlegging. 
Immers , zoo vs. 577 echt is , herinnert Bdelycleon daar zij- 
nen vader aan de voorregten , die hij door zijne heerschappij 
over Hellas geniet. Dat nu de doUimasie der jongelingen met 
<lie beerschappij niels gemeen heeft, en het vers dus niet als 
antwoord aangemerkt kan worden , begrijpt een ieder zon- 
der verder betoog. De partikel toIvvv heeft derhalve hier gee- 
nen zin, en bewijst duidelijk, dat i;;. 578, met de volgenden, 
ergens anders te huis behoort. 
Evenwel moeten die verzen, gelijk ik zoo even zeide en hun 



VSS. 878 VLGG. 81 

inhoud waarborgt, mede behooren tot de rede van Philoclbon, 
en derhalve , zoo zij hier niet op hunne plaats staan , ergens 
ia de nabijheid weggevallen zijn en eene leemte veroorzaakt 
hebben. Men zal dus de beste kans hebben , om hunne plaats 
terug te vinden, wanneer men vooreerst opmerkzaam toeziet, 
of zich in de rede eenig bewijs eener lacune voordoet , en mogt 
dit blijken, onderzoekt, of zij geschikt zijn, om die aan te vul- 
len. Ik heb hel stuk tot dat einde doorgeloopen , en in het 
laatste gedeelte eene plaats gevonden, waar men inderdaad het 
gemis van eenige verzen gevoelt. Ik bedoel vóór vs. 605, na 
de woorden, waarmede Bdeltclbon zijnen vader in de rede valt. 
Philoclbon geeft ons daar de bewijzen niet, die wij met regl 
van hem mogten verwachten. Wij zullen, opdat dit duidelij- 
ker uitkome , de zaak een weinig hooger ophalen. Philoclbon 
had over de kruipende laagheid van de volksmenners tegenover 
den regtersland gesproken, en dit onderwerp met vs. 600 ten 
einde gebragt; hiermede is echter zijne taak niet afgeloopen; 
in het volgende vers (601) noodigt hij zijne tegenpartij weder 
tot eene waardering van de genoegens, welke deze hem tege- 
lijk met het ambt van regter ontneemt. De woorden, welke 
bij bij die gelegenheid gebruikt , zijn niet geheel zniver tot ons 
gekomen ; zij luiden thans : 

rxii/xt y »iro rüv «yxiüv oiav ixoxKeUti xx) xxTeptixeii , 
jjv iouhelxv ouiTXV l(pxirxsi xw^ipsvlxv iToisi^stv. 
Op het tweede vers is niets aan te merken, maar in het eer- 
ste ontbreekt het pronomen, gelijk Dr. Hirschig te regt be- 
weert , die daarom leest liiiroxhsUt? , en is daarenboven het lid- 
woord Tav onmogelijk te verdedigen ; want «yxéüv behoort bij 
elav. Gelukkig wordt de zin bierdoor slechts weinig minder 
duidelijk ; de woorden avh rüv kunnen wij voor het oogenblik 
met stilzwijgen voorbij gaan ; het overige beteekent : » ga eens 
na, hoe groot de genoegens zijn, die gij mij ontneemt, waar- 
van gij bewijzen zoudt , dat zij afhankelijkheid en dienstbaar^ 
heid medebrengen." In die woorden ligt geene zwarigheid; 
maar hoe wil Philocleon, dat zijn zoon de zaak na zal gaan? 
Wat moet bij daarbij tot leiddraad nemen P Enkele geleerden 
zijn van meening, dat de oude regter hem op het voorgaande 

wijst en verlangt , dat hij daaruit zijn besluit zal opmaken. 

4 * 



52 De Wespen van Aristophanes. 

Ten onregte: Avant a-xc^pxi Si wordt nooit in dien ziu gevon- 
den, maar alleen gebruikt, wanneer men iemand op een nieuw 
onderwerp of een nieuw bewijs opmericzaam maken wil. Ook 
toont het antwoord van Bdeltcleon: 

fjCt^Atjo-ö xiyuv ■ TTiivTcoi yxp rot Txóaei tots xxvxCpxviiiTit 
TTpuKTOi ^ouTfOÜ Tffi^t^vófievoi Tiji; xpx^i Tyji Trepiffé/ivou , 
dat hij in de woorden zijns vaders het begin eener nieuwe re- 
denerlng ziet, en zijn ongeduld daarover niet ontveinzen kan. 
Men moet het er dus voor houden , dat Philocleon van plan is, 
om in de volgende verzen zijnen zoon aangaande de zaak voor 
te lichten en verwacht natuurlijk, dat hij daarmede een begin 
zal maken na de twee verzen van Bdeltcleon; maar men leest 
daar niets van dien aard. Het verhaal , waarmede Philocleon 
op die plaats zijne rede besluit, over de ontvangst, die hem te 
huis wacht, staat met vs. 601 vlg. in geen verband hoege- 
naamd, maar wordt ons voorgesteld, als iets dat hem bijna 
ontschoten was {ou >« "7ri>.s^yi7fi>iv) , en nu vóór het einde nog 
moet worden behandeld. Hier bestaat dus eene leemte, en wij 
zullen aanstonds zien , dat de boven misplaatste verzen bij uit- 
nemendheid geschikt zijn , om haar te vullen ; doch vooraf wil- 
len wij nog een paar woorden zeggen over vs. GOl , en wel over 
de woorden xvo rüv. Het ligt in den aard der zaak , dat Phi- 
locleon , om Ie bewijzen , xyxiüv o"uv (a xTroxXeisi^ xx) Kxrepv- 
Ksti;, eenige voorbeelden dier xyx&x moet geven. Dit maakt 
het waarschijnlijk , dat Aristophanes , met het oog op de voor- 
beelden, die volgen moesten , geschreven had: crKi^pxt V X7ri 
Tüvy, xyxóüv o'ïoiv KTs. De constructie van a-Kitpxirêxi met 
UTTÓ, in dien zin, is bekend, en door ARlSTopllA^Es gebruikt in 
den Plulus, vs. !»76 (Txi^xerixt §' fa-r/ fix^ia-TX xtto tüv Tirxiiav. 
Thans kunnen wij overgaan tot eene proef met de verplaatsing. 
Dat de vijf bedoelde verzen boven niet gemist zullen worden , 
weten wij; echter moet de tekst daar, zoo zij wegvallen, eene 
kleine verandering ondergaan. Philocleon begint in dat ge- 
val met VS. S83 eene nieuwe afdeeling zijner rede; xxl is 
dus niet meer op zijne plaats en moet vervangen worden 
door 5é — Jjv S' xxoévvi^Kuv ó vxr^p rep 35 kts. De plaats , 
waarheen de verzen overgebragt worden , blijft onveranderd ; 
VS. 605 sluit zich zeer goed aan het vijfde vers (582) aan; 



vss. 578 VLGG. , 589. ö3 

want het is natuurlijk, dat het vertrek der regters, waarvan 
Philocleon daar spreekt , hem aan de tehuiskomst herinneren 

moet. De partikel T«;Vw {■irxl^av rolwv ZoKtfix^ofiévuv) , die, waar 
men het vers thans leest , doelloos is en niets beteekent , wijst 
op VS. 601 vl</., en vooral op de woorden trxiypxt S' izi tüvV. 
Dat de voorbeelden goed gekozen zijn, behoeft geen bewijs. 
De geheele plaats zal nu , naar mijne gedachten , aldus ge- 
schreven moeten worden : 

vy.i'pxt'S' XTrh twvS', xyxéüv o'icov [i'xTroxXsieiq xx\ xxTspóxeig, 
^1/ ^ovXeldiv ovvxv i<px^x£i %w;r>j/j£0'/«v xTTO^el^eiv. 

BAEATKAEflN, 
tfiTT^-yivo hkytiv ' vxvTU? yxp rot irxu(rst irore Kxvx^xvifvet 
xpuKTig TiOvTpoü irepiyiyvóiAevo? t?? xpxiji Tijg Trepuèfivov. 

OIAOKAEHN. 
5r«/S«v Tolvvv ^oxif^xi^ofiévav T^toïx '7rxps(Tri ösxaixi • 
Kxv Olxypo? fia-fAÖj> (pstiyuv , oux xTfoCpeüyti 7rp)v xv vjiaIv 
èx Tij? N;(f/3)j? elTnn pijiriv rijv xxXXhrtjv «»-oAf?«5 • 
XXV «yA^jTjjs ye Vixtfv vix^ , txót>i? fl'füv iTÏxttpx 

fV 0Op^Sl^ T07(Tt ^IXXVTXTi S^O^OV yiVh.Yi^" XTTIOÜITIV. 

o S« y' yjBlJTOV TOÓTUV £7t)v VXVTUV , OV V« ^VlKsXl!j7[Jt,iiV , 

C7XV o'ixxV lu rèv ntvèov l;^»^, ktI. 

VS. 589. Tijg 3' iTixh^pou rijv ^ixii^xijv x^ixeli «v«xcy%üA»«?wi/. 
De echtheid van dit vers is mij om meer dan ééne reden 
verdacht. In de eerste plaats moet ons het gebruik van xvx- 
xfly%uA/«?'£/i' bevreemden. Dit verbum wordt , zoo men deze 
plaats alleen uitzondert , nergens in eene andere beteekenis ge- 
vonden, als die van xvxyxpyxphxi , gorgelen, de Iceel mei wa- 
ter spoelen. De maker van dit vers heeft echter hel woord 
in cenen anderen zin gebruikt, en len naaste bij gelijk gesteld 
met xxvpücrxi, voor niet geldig verklaren, Philocleon had zich 
namelijk beroemd , dat de regtbank geene waarde hecht aan 
het testament en het zegel van eenen erflater, maar de erf- 
dochter, zonder daar acht op te slaan, naar believen weg- 
schenkt ; dit heet nu hier xvxKoyx'^^"^^^'v TiJ" ^ixStjx^v : de 
schrijver moet dus xyxxoyxuKixt^stv genomen hebben voor ter 
zijde leggen , niet in aanmerking nemen of nietig verklaren. 
Maar hoe komt het woord aan deze of cene dergelijke betee- 



S4 De Wespen van Aristophanes. 

kenis ? Wij kunnen , geloof ik , de onbekwaamheid van den 
inlerpolator niet beier in het licht stellen, dan door aan te wij- 
zen , wat hem tot dit gebruik verleid heeft. Men vindt de 
aanleiding in vs. 585 vlg. Philoclbon drukt aldaar de minach- 
ting der Attische regters voor een hehoorlijk verzegeld testa- 
ment met deze woorden uit: 

xx) T0 xéyxv '"W ^xvu fftfivüg Toïg 7itiisloi<riv CTTOvtif xrè. 
Aristopbanes wil daar alleen mede zeggen , dat zij voor zulk 
een testament even weinig eerbied hebben, als een heer voor 
den slaaf of bediende, dien hij met een pak slagen weg- 
zendt ; doch onze schrijver heeft er meer achter gezocht. Hij 
heeft begrepen , dat men daaronder niet alleen het gering tellen 
van het testament, maar ook het schenden en breken van het 
zegel verstaan moest, en daar het deksel van het zegel hier 
xóyxi^ genoemd wordt, heeft hij gemeend, AdX xyxKoyx'^^i^K^iv 
met hxS^xii als obiect zeer goed dienen kon, om het opligten 
der xóyx*i en voorts het geweldadig openbreken van het testa- 
ment uit te drukken. Hij heeft daarbij echter de volgende vrij 
belangrijke omstandigheden voorbij gezien. Vooreerst was het 
testament hoogst waarschijnlijk een open stuk, waaraan men 
het zegel alleen bevestigd had, om de echtheid te waarbor- 
gen;, en behoefde men dus aan het openbreken daarvan niet 
te denken : maar al was dit anders en al had de erflater het 
stuk gesloten op de wijze van een' brief, zoodat men het zegel 
moest breken, om den inhoud te kunnen lezen (iHucyo. I. 132), 
kon die daad toch nooit aan de regtbank als onregtvaardig ver- 
weten worden {xiixtTi; «v<j!X07;küA/«J^wv). Zij was immers ver- 
pligt, om van het testament kennis te nemen, en moest dus wel 
daartoe overgaan. De schrijver begaat dus een' groven misslag , 
wanneer hij den regters zulks ten kwade duidt; maar dit is 
niet alles; de woorden, die hij gebruikt, drukken niet eens uit, 
wat hij heeft willen zeggen. Ik voor mij geloof niet dat xvx- 
xfly%yA;«ff-«/ ooit iets anders beteekend heeft als xvxyxfyxplaxt: 
doch wij willen hierop niet te zeer aandringen en liever stellen , 
dat hij het regt had om den zin naar de etymologie te wijzi- 
gen. Het woord is dan zamengesteld uit xvx en xoyxv^'ov en 
kan , zoo men aannemen wil , dat xoyx^^">v zoo wel als xóyx^ 



Tss. 589, 615 VLGG. BB 

van het deksel eens zegels gebruikt werd , des noods beleeke- 
nen , dit deksel opliglen en het zegel ontblooten. Doch hieruit 
volgt geenszins, dat men het ook van het schenden of breken van 
een zegel zou kunnen bezigen. Integendeel, niets belette, dat 
men de xé^x^ > "a die opgeligt te hebben , om het zegel aan de 
omstanders te toonen , weder even als voor dien tijd daar- 
boven plaatste. Daarenboven bedekte de kó^x^ wel het zegel 
(kx) t^ KÓyxV "^V ^^vu (Ttfivüg to?? vttneioiriv ê'jrovff^) , raaar 
niet het testament, en had de schrijver, indien hij dvxKoyxi^- 
/.ici^eiv zoo gebruiken wilde, niet rijv hmSi^Ktiv maar t» fftjfisT» 
als obiect daarbij moeten voegen. 

Ik geloof niet, dat hetnoodig is, meer te zeggen, om aan te 
toonen, dat vs. 589 onmogelijk van Aristophanes wezen kan. jKog 
ééne laatste opmerking wil ik echter niet terug houden. Zoo 
in den zin en de taal overigens geen bezwaar gelegen was , zou 
het ons toch moeten verwonderen , dat Bdelvgleon hier aan zij- 
nen vader de onregtvaardigheid van zijn gedrag verwijt. Het 
is Bdelycleon daarom niet te doen : de handelwijze van zijnen 
vader is hem eene dwaasheid, die hij afkeurt, omdat deze veel 
gemakkelijker en eenvoudiger middelen om gelukkig te leven 
voorbij ziet en zich door de volksmenners om den tuin laat 
leiden; maar om regt of onregt bekreunt hij zich overigens wei- 
nig. 

VS. 615 vlgg. 

réïis xUrytuxt xpi(3\*i(ix kxxuv , jxeuifv ^e^iaiv iXsupnv 
K&v oïviv [ioi jttJj V%j)? au ttibIv, rov Si/ov tJvS' i<rxcxó(M7[ixt 
olvou (itirrlv xxr' èyx^'>f'^' xA/v«« • ovTog 5è xex*t^'^i 
^pufiyierxt*fvoi Tov joïi ^tvou (iéyx xx) arpiriov xxriirxfiev. 
Er bestaat niet het allerminste verband tusschen deze vier 
verzen en de bewijsvoering' van Philoclbon, die voorafgaat. 
Indien men zich van de waarheid biervan overtuigen wil , be* 
hoeft men slechts eene naauwkeurige uitlegging van den tekst 
te beproeven. De moeijelijkheden openbaren zich aanstonds in 
het eerste vers. Het pronomen rx^e (Txh xixTtjiAxt xré.), dat 
men daar leest , kan op meer dan ééne wijze begrepen wor- 
den ; de scholiast gelooft, dat het op den triobolus doelt , docli 
dit is ongerijmd. Ik neem voor het oogenblik aan, dat Philo« 



66 De Wespen tan Aristophanes. 

CLEON daarmede de redenen op hel oog heeft, die hij boven 
had ontwikkeld , waarom de regterstand hoogst gelukkig en 
verkieslijk is; namelijk den invloed , dien hij in den staat uitoe- 
fent , de vleijerijen der aanzienlijken , het zingenot , enz. In 
deze voorregten ziet de spreker dus de wapenrusting, die hem 
tegen gevaren beschutten moet. Maar welke zijn die gevaren? 
Het voorbeeld , dat hij zelf aanvoert , k»v ohóv ftot ftii "yxv? '» 
riiiv KTè. in verband met vs. 612 vlgg., veroorlooft ons niet 
aan iets anders te denken, als de zuinigheid en den on- 
wil , waarmede zijn zoon , zoo hij eenmaal in diens magt over- 
geleverd mogt worden, in zijne behoeften voorzien zal. Doch 
wat kunnen de voordeelen aan hel ambt van regter verbonden 
hem daartegen balen ? Wij welen immers , dat Philocleon dan 
niet langer Heliast zou zijn , en noch in den triobolus noch in 
de genoemde heerlijkheden eenigen steun tegen zulk eene be- 
handeling zou kunnen vinden. Het blijkt dus, dat rxie niet 
zoo kan worden uitgelegd, als wij thans getracht hebben het 
te doen. Er is nog eene derde opvatting mogelijk , die evenwel 
de zaak weinig verbetert; wij komen daar dadelijk op terug. 

De drie volgende verzen zijn hier evenmin op hunne plaats 
als het eerste. Ik zie geen kans , om ze door de gezochtsle ver- 
klaring met den toestand in oveenstemming te brengen. Men 
oordeele zelf. Philocleon heeft een zwaard in de band, waar- 
mede hij zich van het leven berooven wil, indien zijn zoon 
overwinnaar blijft. Zie vs. 522 vlg. en vs. 714. Deze spreker 
daarentegen houdt eene wijnflesch in de hand, van de soort, 
die Óvog genoemd werd. Zie vs. 616 vlg. Het gesprek lus- 
schen Philocleon en Bdeltcleon wordt gevoerd op straat , voor 
de huisdeur; maar de persoon , uit wiens mond deze vier ver- 
zen komen, bevindt zich in huis; hij is, naar het schijnt, 
eerst korteling binnen getreden en heeft de flesch medegebragt; 
wat anders beteekent ijKsxéfiKTfixi ? Eindelijk loopt de twist 
tusschen vader en zoon over het aanzien van den regterstand , 
terwijl deze spreker alleenlijk bekommerd schijnt over het niet 
zeer gul onthaal , dat hem wacht. Immers , het is om zich daar- 
tegen te vrijwaren, dat hij als voorzorg den Óvog heeft medege- 
nomen. Deze opmerking geeft ons den sleutel tot het regt 
verstand van vs. 613 {rxh KÉKTtifixi kts.). Want de ouislan- 



vss. 615 vLGfi. 87 

di^eid, dat de $preker deu Svo? mede begrijpt onder de za- 
ken , waarin tiij een wfó^xmix xxxüv ziet , bewijst duidelijk , dat 
Txh niet op het voorgaande doelt, maar juist van dien Svo^, 
en misschien van nog eenige andere provisien, welke de spre- 
ker bij zich kan hebben, verstaan moet worden. Men zal, denk 
ik , toestemmen , dat deze verklaring van Txle , die mij de 
eenige ware schijnt te zijn, niet strekt om vs. 615 op den 
toestand van Philocleon toepasselijk te maken. Dit herinnert 
mij nog eene laatste bedenking. Het ligt niet in den aard 
van den ouden regter , om op een goed glas wijn gesteld te 
zijn ; althans niet in dit gedeelte der comedie. Later , nadat 
bij zich onder de voogdij van zijnen zoon gesteld heeft, leert 
deze hem daar meer smaak in vinden ; maar tot nog toe eet 
hij liefst brei met zijne vrouw en dochter , vs. 606 vlgg. 

De redenen , die ik getracht heb hier Ie ontwikkelen , heb- 
ben mij overtuigd, dat Aristophamks deze vier verzen nooit heeft 
kunnen bestemmen voor de plaats , waar wij ze lezen. Hoe 
zij bier komen of wat aanleiding tot de interpolatie gegeven 
mag hebben, weel ik niet en dat zal wel een geheim blijven. 
Dat zij van Aristophanes , of ten minste van eenen ouden co- 
micus zijn , lijdt geen twijfel. 

Hilversum, Oct. 1883. H. 6. Hamaker. 



BLADVULLING. 

Schol. Aristoph. Pac. 868. 

In vocabulis : Ilxvixiviav ii t^v ^oikU^v kx) ix hx(pópuv 
l\puv evaxixv , otxv exxo'TOi tx hxuroZ o\px xvsvéyx^ xx) xxSïj' 
Txi flg TO xoivov , i} otxv tto^Xuv wpoxsifiévuv êha-fiXTUv AijSjj 
rig o êé\ei, ridiculum vitium nullo negotio tolli potest. Lega- 
tur scilicet : xxTxê>jTxi, 

E. M. 



AANTEEKENIN6EN 

OP DE 

WESPEN VAN ARISTOPHANES. 

(Vervolg van hl, 57). 



Vs. 634 vlg. oSx,' «AA* ipiifiXi ^ei' «Stbi; pif^la? rpv^j^tiv. 
xatAw? y«p pf» »5 ly^ VKVTifl xpxTKTTÓi slf^i. 
Zoo VS. 634 aan Philocleon toekomt , op wiens naam het 
staat, moet natuurlijk ovto? op Bdeltcleon doelen. De zin is 
derhalve ongeveer deze : «Neen (gij hebt nooit iemand zoo goed 
hooren spreken , als mij) , maar deze vriend (Bdeltcleon) hoopte 
op eene gemakkelijke zege zonder strijd." Het scheelt veel , dat 
dit ons gezond verstand zou kunnen voldoen. Het spreekwoord 
ipvuioii; Tpvyxv is uit den aard der zaak alleen toepasselijk op 
den redenaar , die het eersl spreekt ; want alleen deze is in de 
gelegenheid om zonder strijd regt te behouden, zoo zijn tegen- 
stander niet antwoordt. Niet Bdeltcleon , die wederleggen moet,, 
maar Philocleon, die het eerst optreedt , kan dus êpii/i»? rpuyiv. 
De gevolgtrekking ligt voor de hand; hel vers moet van Bdelt- 
cleon wezen en deze het spreekwoord op zijnen vader toepas- 
sen ; alleen het volgende vers verblijft aan Philocleon. Hier- 
mede is echter de zaak niet afgedaan ; want zoo men vs. 634 
aan Bdelycleon toeschrijft, maar overigens de plaats onveran- 
derd laat , zal vooreerst Bdeltcleon den triomfzang van het koor : 

ovjriiroi* ovra xxdxpa^ 

ou^svig viKOxivxiiev cu- 

Te ^uvsTÜ? ^éyovTO?, 



192 Db Wespen yan Abistophanes. 

beamen en met ovx erkennen dat niemand ooit met zoo veel 
doorzigt gesproken heeft, als zijn tegenstander; en ten tweede 
Philocleon, die oogenblikkelijk met den lof van bet koor over 
zijne rede beboorde in te stemmen , met vs. 635 veel te laat 
komen. Men zette derbalve de beide verzen om en scbrijve: 

«lAOKAEXlN. 
x«Aw? yxp ^^siv Ui iyu txvt^ xpxTKTTÓi eifii. 

BAEATKAEHN. 
oöx' «AA' èpiifixg oIsS" oSrog p^'Slug rpuy^ffeiv. 
De uitlegging die ik aan het tweede vers geef, brengt na- 
tuurlijk mede, dat ^eS' in een praesens veranderd moet wor-» 
den. 

VS. 642 vlg. U(r6' euTOf ^S>> vxop^ivccTXt xxcTiv oux iv avrov. 
vt (iiiv i^di (re Tiifiepov ffxÜT*i ^>Jxciv voi)ï(ru. 

Deze twee verzen zijn evenmin beiden van Philocleo» als 
vs. 654 vlg. Men oordeele slechts. Het eerste vers past zeer 
goed voor Philoclbon , die op de overwinning rekent en gelooft 
dat zijn zoon daarvan zoo goed overtuigd is , als bij ; van daar 
dat bij van dezen zegt : » hij staat zich reeds te rekken en is ge- 
heel buiten zich zelven." Hierop is niets aan te merken. Het tweede 
vers is minder passend. De man, die in het vorige vers ge- 
looft de zege reeds behaald te hebben , kan in bet volgende niet 
spreken , als ware de strijd nog niet beslist en moest de beurt 
nog aan hem komen : 

ij (liiv tyè <rs r^fiepov <txwt^ /SAfVf/i/ TO/ijaa. 

Ook is het vreemd , dat Philocleon , die in bet vorige vers 
het woord nog tot het koor rigt en van BoELrcLEON in den derden 
j>ersoon spreekt , bier zonder aanleiding eensklaps zich tot dezen 
wendt. Ik ben overtuigd dat hier , even als boren , aan vader 
en zoon ieder één vers toekomt. Het eerste is van Philo- 
cleon ; bet tweede is bet antwoord van Udelycleon. 

vs. 656 vlg. 

XXI irpÜTOV [icv héytiTXi <pxv?i,ui , (lii \ptï(poii; , «AA' «ffJ X^'P^? » 
Tov cpépov Yi(üv iirè rüv «■«Afcuv ffyAA>}/3J)ji' rou TrpotriivTX. 
Het artikel bij vpoinévTa verbreekt het verband, dat tus- 
schen dit woord en xwh tüv vé^euv noodzakelijk bestaan moet 



vss. 656 VLG. , 669 vlgg. , 684 vlg. 193 

en bederft dien ten gevolge de constructie van het gansche vers. 
Waarschijnlijk had Aristophanes geschreven: 

rov 0é(iov lifiTv xTrb tuv ttóXêuv (7yAA>;|3S»)v vvv Trpojtévrx. 
even als men in vs. 707 leest: 

tMu ys TTÓKeig X'^"'' > <*' ^^^ "^^^ Cpópov vi(üv xTxyouvi. 

VS. 669 vlgg. 
xf ö' ouToi fih ^upo^oxovriv KXTX TTtvTiixovTX rxXxvt» 
XTTO TUV ttö^suv , tiTXTCsiKovvTeg toixvt) xxvx(po(3oüvTei ' 
iü(T£rs rov (pépov, vl ^povTyi(TXi; rijv ttóMv vfiüv xvxrpi^w. 
Indien de volksmenners en redenaars , die van de bondge- 
nooten geschenken wilden ontvangen , om hun doel te berei- 
ken , in dier voege hadden gesproken , zouden zij een' dubbelen 
misslag begaan hebben, tegen hun eigen belang en tegen het 
Attisch taalgebruik. Want de staat , wien de (pópog toekwam , 
zou het voordeel genoten hebben , terwijl de hatelijkheid der 
bedreiging die van hen was uitgegaan voor hunne rekening 
bleef. En wat het tweede punt betreft, de taal is ver van 
zuiver. De Alheners zeggen nimmer ^i'Sóvxi , maar altijd (pi' 
ftiv of xirxysiv Tov( cpópovg , gelijk vele voorbeelden van Aristo- 
phanes , TaucrniDES , Demosthenes en anderen kunnen bewijzen. 
Daarenboven was bij eene zoo krachtige bedreiging veeleer een 
imperativus , dan een futurum te wachten. De woorden S«(r£T« 
rov (pépov zijn derhalve bedorven en moeten naar mijne over- 
tuiging plaats maken voor den imperativus "Bapoipopeir" , die , daar 
hij uit dezelfde beslanddeclen is zamengesteld, misschien door 
den afschrijver voor een compendium van iüa-tre rov <pópov ge- 
houden is. De lettergreep , die aan het metrum ontbreekt , moet 
aangevuld worden door èyü , dat hier gansch niet overtollig 
is. Men schrijve dus: 

^upocpopelr', ij 'yw (3povr)i<7xg rijv ^óXiv ufiüv xvxrpï^u. 
In het vorige vers leze men: irxpk rüv iróxsuv , want Soipc» 
"^oxiïv wordt, zoo ik nüj niet vergis, nimmer met xzi verbonden. 

vs. 684 vlg. 
ffo) 5' ^1/ rig S^ rohg rpelt; i^oXovg xyxir^g , oOg xurog s^xvvmv, 
Kx) TTi^ofixxüv Kx) ToMopxüv êxTi^iru iroWx ■TrOVVIITXi. 
De dalivus oJg van Cod, R. , aan welken Bergk de voorkeur 

u 



194 De Wespen van AnisTOPiiANES. 

geeft, voldoet mij evenmin als de accusaiivus oü? , dien men in 
andere uitgaven vindt. De naamval , die hier vereischt wordt , 
is de genilivus partilivus ; Bdblycleon wil zeggen , dat het volk 
van alles wat door zijn' moed en inspanning in de schatkist 
komt , alleen den triobolus werkelijk in bezit krijgt. Men leze 
dus: uv «vTog ê^ccóvuv XTè. 

De waarschijnlijkheid dezer gissing wordt verhoogd door het 
volgende schoUum: tov (pópov (I. rcy? (J)ópov?) Aéy« , i(p' uv 

VS. 700 vlgg. 

iTTtg TTÓXeuv &PXCÓV Tr^sltrruv xirb toü TIÓvtov (léxpt Xxphui , 
ouK xTroXxüsii ?rA»jv Toïiê' o cpépsig, dKxpïj' xx) toDt' ipi^ <roi 

iVITTX^OValV KXTX filXpOV XC) , XtL 

De uitlegging van rovó' o (pèpeig , die de scholiast geeft, roüi' 
o cpépsig IfiXTiov , is te belagchelijk om een oogenblik in aan- 
merking Ie kunnen komen. Het is echter niet gemakkelijk 
voor die woorden eene betere verklaring te vinden. Het ver- 
band eischt , dat men ze van het geringe loon der regters ver- 
sta, dat op dezelfde wijze in vs. 661 vlgg. en in vs. 684 vlg. 
aan de rijke inkomsten van den slaat tegenovergesteld wordt. 
Doch hoewel f*iir$ov cpépsiv loon Irekken beleekent , herinner ik 
mij niet ergens eene plaats gelezen Ie hebben, waar cpèpsiv al- 
léén zonder ix,ti7êóv of een woord van soortgelijke beteekenis dien 
zin had ; buitendien kan de toehoorder niet raden , dat hier van 
liet loon sprake is , hetwelk in de laatste verzen niet genoemd 
wordt , en voegt de singularis niet wel bij het volgende xxxpii. 
De plaats is bedorven; Abistopiianes had waarschijnlijk geschreven: 
ovxxro>.xvcii; ,7rXviv f<,tiT6o<po psT? xxxpij- xx) txvt" èpicf (toixts. 

De omstandigheid , dal ttXviv hier zonder ér/ gebruikt werd , 
heeft lot de omschrijving jta^i/ toW o utakcpopslg en deze we- 
derom lot de corruptie aanleiding kunnen geven. 

VS. 814. xiiToü f*évuv yxp t^v Cpxxijv po<pyj<roi/,xi. 

Een zwak vers , dat als uitlegging van hel voorgaande geheel 
overbodig is. Ieder Athener wist dal men den koortsachligen 
zieke eene (pxxïj voorzette, en kon dus den zin van xxv yxp 
vvpsrru TÓv ye //.ktSov p,)i\pofixi , na de mededeeling van Bdki-t- 



vss. 684VLGG. , 700VLC6., 814, 819, 839 vlo. 19S 

CLEON, zonder verdere verklaring zeer goed vallen. Misschien 
is het geinterpoleerd. 

VS. 819. 

êvjp^ov e1 ttui; èKKOtiivoiig to toü Aukov. 

In dit vers zijn vooreerst de partikels si iru? verdacht, die 
zich met h hi to6ü niet laten verbinden, en toch van een 
voorafgaand verbum moeten afhangen ; voorts de vorm van den 
optativus èxKo/ilcrxii; in plaats van iKxofiheixg , en eindelijk de 
zamenstelling van het verbum met ix , daar toch Philocleon 
vrel niet verwacht zal hebben, dat zijn zoon de kapel van 
Ltcus uit huis mede zou brengen. In een fragment van Hero* 
DiANDS (zie Dr. Kappeyne van de Coppello Observ. Cril. p. 22) leest 
men het vers eenigzins anders: 

^p^ov si irüg (ioi xOfil(rxio rov Atjxsu. 

De tekst is hier niet minder bedorven , maar hel verschil vaa 
lezing kan ons misschien op den reglen weg helpen. Ik ver* 
moed namelijk, dat Aristophanes geschreven had: 

êiipüov OU wet) fiovxófitaxi; ri toü Aüxou. 

Het zamengestelde èxxofila-xig is eene corruptie van èxS/ii* 
rx?; toen deze de overhand gekregen had, heeft men (mi, dat 
voor het metrum niet meer noodig was , weggelaten. 

VS. 859 vlg. 

ra j/t' xpx irpürov rJi^lxttfix tcU vxrp) 
e'KTXXTÉov [ioi' (Tu Vs xxT^'yipet Trxpiiv. 
Aristophanes had ongetwijfeld bij xxTyiyópsi een participium 
gevoegd, doch niet Trxpav , dat overbodig is en alleen kon strek- 
ken om den lagchlust der hoorders op te wekken Daar BdelY- 
CLEON zegt , dat het hem voorbehouden is , om als regterlijke 
overheid de zaak bij zijnen vader in te leiden {i't(rxxTéoy) , is het 
meer dan waarschijolijk dat hij den slaaf aanbeveelt, om de 
xiï^ig voor zijne rekening te nemen. Misschien heeft dus de 
dichter geschreven: 

ai) ii ^cxTviyépsi Xxxèv. 
In de codices worden , zoo als men weet , A. en ^ meermalen 
verwisseld. Het spijt mij van harle dat ik van ^ en 7 het- 
zelfde niet mag beweren. 

IJ * 



196 Db Wespen van AiiisTopiiAjfES. 

VS. 859 vlgg. BAEATKAEÜN. 

t](TXXTS0v (iot ' (rij Sï y.xT^yépet wxpév. 

HAN0IA2. 
l^x A/' cujc i'yu'y\ «AA' xTspóq <p}j<riv Ktiuu 
KXT>jyop)i<riiv , vfv m ehxy-ifi ypxcpviv. 

Vers 842 is niet van Aristophanes. Het is vooreerst overbo- 
dig; want welk toehoorder of lezer zal niet aanstonds begrij- 
pen, dat men bij (J))jo-/i/ betzelfde verbum denken moet als bij 
(•yuiys , namelijk xxryiyopvi(T£iv , zonder dat hel daarom noodig 
is het woord zelf er bij te voegen ? De schrijver heeft daaren- 
boven in de volgende woorden getoond , dat hij met de taal 
der Attische regtspieging volkomen onbekend is. Bdelycleon, 
die voor thesmotheel speelt, is voornemens de zaak van den 
hond voor de regtbank van zijnen vader in te leiden (ela-xKréov 
fiot); daar hij echter zulks niet doen kan, ten zij eerst iemand 
«ene beschuldiging ingesteld heeft, verzoekt bij Xanthias deze 
taak op zich te nemen (o-u Sè xxTtjyópst irxpcliv). 

De beschuldiging moet dus hier, even als in alle andere ge- 
vallen de cliTxyco'yti voorafgaan. Onderlusschen zou de hond 
volgens dezen schrijver, gezegd hebben, dal hij bereid was om 
te beschuldigen , liv ti? HTxyin ypxcpiïv ; als ware de verhouding 
omgekeerd en moest de shxyccyij vóór de beschuldiging plaats 
vinden. De inlerpolator heeft vs. 840 verkeerd begrepen en ge- 
meend dat ehxyciv aldaar beleekende het instellen van de be- 
schuldiging en xxTiiyopeTv hel houden van de rede door den aan- 
klager; van daar zijne vergissing. 

vs. 868—873 en vs. 885—890. 

Het gezang van het koor bij gelegenheid van het plengoffer 
en bel gebed van Bdelycleon, bestaat uit Iwee gedeelten, de 
strophe en de antislrophe , waarvan de eerste op het plengoffer, 
de tweede op het gebed volgt. Het koor zelf geeft dit te ken- 
nen in vs. 863 vigg. 

Kx) jtt^v ^(isTg f «■/ rxTi firov'Sxlg 

xxi 7x7? ev%xTi 

CP)Ï(H1V «yxóiiv Af'^o/xfv vptTv. 
Deze opmerking geeft ons aanleiding tot eene vraag. De 



vss. 839 VLGC, 868—873, 885—890. Ï97 

overeenkomst tusschen het aantal verzen van de strophe en de 
anlislrophe vordert , dal wij vs. 868 , 

fü<piii/,!<x, fA,ev rpÜTX vüv üirxpxiru. 
hetwelk door Bdelvcleon uilgesproken wordt , mede bij de slro- 
f)he tellen; want zoo men aanneeml dat de strophe eerst met 
het volgende vers begint , zal men bevinden , dat zij eenen Iri- 
meier minder heeft dan de anlislrophe. 

Maar laat de aard van het vers wel toe , dat wij het als een deel 
van den koorzang beschouwen ? Ik geloof het niet. Bdeltcleox 
is één der tooneelspelers , maar niet medelid van hel koor en 
een vers uit zijnen mond kon dus niet tot de strophe van cencn 
koorzang behooren, tenzij op dezelfde plaats in de anlislrophe 
weder een vers van hem of van een der andere tooneelspelers 
gevonden werd , en dus de koorzang tevens een beurtzang ware. 
Wij weten echter dat hier aan zoo iets niet te denken valt. 
Daarenboven is immers Bdelvcleon zelf de man , die het pleng.- 
offer doet , en zal nu een gezang dat door het koor ter zij- 
ner eere na het ofTer aangeheven moet worden , beginnen 
met een vers van hem zelvcn , van eenen geheel anderen in^ 
houd en dat het offer voorafgaat? Hier blijft, dunkt mij, geen 
plaats voor twijfel meer over ; het vers kan niet lot de strophe 
behooren. 

Het evenwigt tusschen de beide gedeelten van den koorzang ^ 
dat alleen door vs. 868 gered werd, is nu verbroken; de stro- 
phe heft aan met éénen iambicus; de anlislrophe daarenlcgea 
met twee. De tekst kan zóó niet uil de handen des dichters 
gekomen zijn. Men moet aannemen dat één van beiden , of 
de strophe één vers verloren heeft , of de anlislrophe geinlerpo- 
leerd is.. Wij hebben geenc reden om in de strophe aan eenc 
leemte te denken ; de taal is zuiver en de zin en het verband 
zoo duidelijk en eenvoudig, dat men bier geene corruptie van 
welken aard ook onderstellen mag. In de anlislrophe is de 
zaak zoo gaaf niet. De tweede iambicus van den aanhef: 
^uveuxólJ.«TÖx [txïitx] <toi x«3-f5s/06ev 
vkxiniv tipx»!^? svsK» tüv 7rpo>,{\eyiiévuv. 
geeft slof lot eenige bedenkingen. 

Het koor dat door den korten zang na het plengoffer en 
het gebed zijne blijdschap over de verzoening van vader en 



198 De Wespen van Aristophases. 

zoon zou te kennen geven (vs. 863 vigg.) , wordt in de woor- 
den fV^So/Xfv véxKTiv cipxxïi; eensklaps eenzijdig en begint 
de zaak bepaaldelijk toe te juirhen, in zoo ver als zij den 
zoon verheft en hem de heerschappij over zijnen vader verze- 
kert. Deze zienswijze past evenmin bij de gevoelens waarvan 
het koor elders laat blijken (vs. 723 — 735 , vs. 743—749 , vs. 
863 — 867) als bij den aard der overeenkomst. Deze was van 
den kant van Philocleon niet minder vrijwillig dan van dien 
van Bdelycleg?! , en een gevolg van de overtuiging dat de raad 
van den laatslen nuttiger was dan zijne oude levenswijze ; eene 
oipxv van den zoon over den vader kon daar niet uit voortsprui- 
ten. De omstandigheid dat het adieclivum viaiiriv bij «p%«r? ge- 
voegd is, maakt de zaak niet beter; men moet daaruit opma- 
ken, dat eene nieuwe regering in de plaats getreden is eener 
oude , die vroeger het bestuur in banden had. De uitdrukking 
zou b. V. gepast zijn , zoo in het begin van het blijspel Pbilo- 
CLEON nog meester ware, maar nu door eene omwenteling de 
teugels aan zijn' zoon had moeten afslaan: hier evenwel, waar 
na de verzoening in het geheel aan geene «;%)| , en minst van 
allen aan eene véx ipx>i te denken valt, mogen wij het er 
niet voor houden dat AnisTOPnANEs zich zóó zal hebben uitgela- 
ten. De volgende woorden hexx rüv TTfoXeXsyiiivuv , die, naar 
het schijnt, doelen op vs. 866 vlg. , zijn wat den zin betreft, 
onberispelijk : doch welke lezer zal niet met bevreemding mid- 
den in een' zang eene aanhaling aantreffen , welker vorm ons 
aan de dorre taal van de scholia herinnert ? Hel komt mij voor 
dat wij bij dit alles reden hebben om de echtheid van vs. 886 
in twijfel te trekken en gerust mógen aannemen, dat bet even- 
wigt tusschen de slrophe en antistrophe werkelijk door de in- 
lerpolalie van dat vers verbroken is. Men leze derhalve: 

$Ul'fy%^/*f9'tf« (t«ÜT«) ITOl KXTTif^OlllV ' 

evvoi yüp iafitv i$ oy, KTi. 

vs. 893. 

t/i; «p' ó (pevyuu ouroi ; oaov a,Xui7STai ' 
Dr. HiRScuiG in zijne Observaliones Crilicae p. 73 en Dergk 
in de laatste uitgave van Auistopdanes bij Teubmer verdeden dit 
vers op de volgeiulc wijze tusschen Fiulocleo.n en Düelvcleo.n : 



VS. 868 EN 885 vlgc, 895, 902vlgg. 199 

<E)IAOKAEnN. 

Ui «p' ó (peuyuv ; 

BAEATKAEHN. 

^lAOKAEHN. 

Ik heb hiertegen ééne bedenking. Boelycleon kan de vraag 
van Philocleon niet beantwoorden met ovto(; , zoo de beschul- 
digde hond niet reeds op het tooneel tegenwoordig is; en dat 
is hij niet. Hij komt niet voor vs. 899 voor den dag; waar 
Bdeltcleon ons met de woorden : 

Kx) i^viv O (pstjyuv oinoci Ax(Stig irxpx. 
op zijne verschijning opmerkzaam maakt. Vers 893 mag der- 
halve niet tusschen de beide sprekers verdeeld worden , maar 
moet , zoo als van ouds aan Philocleon verblijven. Bdeltcleon 
had in vs. 848 de a-avl^eg of borden gebragt, waarop de aan- 
klagt te lezen stond, en dit had Puilocleon toen reeds aanlei- 
ding gegeven tot de vraag (vs. §51), rl<; outov) \ o irpüró? è<r- 
Tiv. Hier beteekent o irpürot den aanklager, wiens naam op 
het bord het eerst te lezen stond. Philocleon voegt daaroyroff/ 
bij , omdat hij den uaam met den vinger of dea stok op het 
bord aanwijst. De vraag, die wij hier lezen, t/? xp" è (ptti- 
yuv ouTog ; moet insgelijks van den naam op het bord ver- 
staan worden. 

VS. 902vlgg. *IAOKAEnN. 

70Ü V tvd' è ^i&xav , i Kv^xStivxtsvi; kvmv ; 

KTHN. 
»u, »u. 

BAEATKAEHN. 
vxpeirrtv. 

*IAOKAEnN. 
êrspo? ouTog xv Ai^tjg , 
xyxöég y' vKxxrslv xx) hx^six^'v Ttig xïirpxg, 
In de oudere uitgaven van Aristophanes heeft men vs. 905 vig., 
van iripsuTtv af, geheel aan Bdeltcleon toegeschreven; later 
heeft men echter begrepen , dat alleen vxpsjriv aan Bdeltcleon 
toekwam, in antwoord op de vraag van Puilocleon, terwijl 



200 De Wespen van Aristophanes. 

hetgeen volgt weder eene aanmerking van den laalslen was. 
De zin heeft hierbij wel iels gewonnen ; doch wij hebben nog 
altijd reden om aan de zuiverheid van den tekst te twijfelen. 
Eene oplettende beschouwing van de plaats zal ons hiervan 
overtuigen. De woorden sTspog ovto^ «v Ai^va beteekenen , 
»dit is weder een andere of een tweede Labes," en onderstel- 
len derhalve , dat de hond , die voor aanklager speelt , even 
als de beschuldigde, door den dichter Labes genoemd is. Zoo 
de schrijver van het merkwaardig scholhim op vs. 836 • gelijk 
had en Labes niet op Laches doelde, maar eenvoudig gemaakt 
was van xx^sïv zonder toespeling op een' bepaalden persoon , 
zou ik evenwel niet gelooven, dat de dichter, wien een rijke 
voorraad van woorden ten gebode stond , als uit armoede aan 
beide honden denzelfden naam geschonken en zóó doende tot 
misverstand 5 aanleiding gegeven zou hebben. Doch de scho' 
liast heeft zich in dit geval deerlijk bedrogen; het lijdt geen 
twijfel of de dichter heeft hier bekende personen en een be- 
rucht regisgeding van die dagen op het oog ; de aanklager is 
Cleon, de beschuldigde Laches. De schollen verzekeren het bij 
meer dan eene gelegenheid, b. v. bij vs. 240, 856, 895, 909, 
924 en anderen ; de buurlen of ^ijfiot , waartoe de twee honden 
behooren , nemen allen twijfel weg ; want Cleon is een Ku^xStj- 
vxievg even als de eerste hond, en Laches behoort tot de At^u- 
vjji , even als hier Labes. Zie , wat Cleon betreft , Demosthbnes 
p. 1016. 2. en Boeckh C. L G. 1. p. 344 , en voor Laches, Plato 
in den Laches p. 197 c. Verder leest men in de beschuldiging 
gedurig toespelingen op een' togt van den aangeklaagde naar 



f^aavTU ntqi St»iXiav Inl &VQodo»ln *al ra üyt ÏTtl TavTij* I4yta&at 
T^y vjiivaiav on dè ((6;) veaqitaTiii xal vtcö aXXmy uwitiiidflraif afoiiftjTiu. 
rovro di xo/iipó* ianv , oi narv &è ot»eZoy (I. «Jxè? ttyat) i»»ei^ inii 
»a.v vfapidiXvae* avró (De scholiast kent derhalve de dfj/ioi van Cieon en 
Laches niet). ^^^' *"«'* ó Aafiin évonaro7it7loiijO0ai aTiXióq , *a&a7ii(i ó 
Aiinii i ^afi TijXfKltidfi iv Tlfvriiifaiv 

Aixtif rh loTiy örrm' dyO-faJiu* «fó. 
^) Het publiek ïou b. v. nimmer hebben kunnen raden , voor welken Labes 
Bdelycieon in vs. 837 de getuigen oproept; want dat hij den beschuldigde 
bedoelt komt eerst iii vs. SG3 aan den dag. 



VS. 902 VLGG. 201 

Sicilië , die hem de gelegenheid aangeboden had lot de plunde- 
ringen en den roof, waarvoor hij nu leregtstond (zie vs. 838, 
896, 911 , 924 vlg.) ; en weet men van Laches door Thucydides 
en anderen, dat hij vier jaren geleden mei eene vloot naar Si- 
cilië gezonden was, en tevens dat hij niet voor uitermate eer- 
lijk gehouden werd. Demosthenbs kent in de rede tegen Tmo- 
CRATEs , die zeventig jaren later uitgesproken is , de geruchten 
nog over roof en ontvreemding van staatsgelden , die ten na- 
deele van Laches liepen, en het scholium dat eene toespeling 
op Lacbes niet waarschijnlijk oordeelt, erkent zelf dat hij ü? 
voa-CpKTrh'; xx) virb oixxav xu(ji,CjihelT»i. Het schijnt, dat Cleon 
werkelijk eene ypxcpvi x\07r>jg tegen Laches ingesteld had , waar- 
over eerstdaags uitspraak gedaan zou worden; zie vs. 240 vigg.: 

«AA' êyxovüfisv , uv^ps? , u? tirrxi Acéx*!'^' i"""' » 

atfifiMv Si cpxo'i ;^pjjjCt«T«v l^f/v éïrrxvTeg xvrév. 

X6h ovv KKsuv ó xti^f fiiiv ^fi7v ii^eïr' iv uptf 

vixsiv IxovTXi; viiiepüv ipyijv rpiüv Trovtjpxv 

«V xiiTOv wg xoXaiAsvoug uv vï^ixii^sv xts. 
Ik ben geneigd om te gelooven, dat Aristophanes het regis- 
geding der beide honden met opzet in dit stuk ingevlochten 
heeft, om zoo mogelijk de gemoederen gunstig voor Laches te 
stemmen; hij krijgt daardoor gelegenheid om de ware drijfvee- 
ren van den aanklager, zijn' nijd en hebzucht, bloot te leggen 
en in de apologie wel niet Laches geheel vrij te pleiten , maar 
ten minste de deugden die hij bezat, tegenover de nietswaar- 
digheid van den aanklager te laten uitkomen. Hoe de zaak 
afgeloopen is , weten wij niet ; maar Laches heeft althans het 
vertrouwen der Atheners niet verloren ; hij is vier jaren later, 
Olymp. 90. 3 , als veldheer bij Mantinea gesneuveld. 

Aristophanes heeft dan , dit mogen wij als zeker stellen , toen 
hij voor den aangeklaagden bond den naam Labes koos , zoo- 
wel eene paronomasie van Laches, als een van Xx^sïv afgeleid 
nomen gewild; hij is ongetwijfeld bij den anderen hond op ge- 
lijke wijze te werk gegaan , en heeft ook hem een' naam ge- 
schonken , die bij den aard van Cleo» paste en den klank van 
zijn' naam nabij kwam. In het vers, dat ons bezig houdt, draagt 
hij, zooals wij weten, den naam Labes, even als de andere 
hond. Ik heb de redenen, waarom die naam mij niet geschikt 



202 Db Wespen van Aristophanes. 

voorkwam , gedeeltelijk boven reeds ontwikkeld ; doch toen kon 
het nog twijfelachtig schijnen of wel een persoon bedoeld werd ; 
nu dit uitgemaakt is en tevens dat die persoon niemand anders 
is als Cleon , mogen wij de zaak als afgedaan beschouwen . 
Want Labes is niet, gelijk het zijn moest, eene /laronomajic van 
Cleon, en is afgeleid van een verbum, dat de zijde van Cleons 
karakter , die bier in aanmerking komt , niet in het licht stelt. 
De hond heeft dus niet Labe& geheeten , en toch kan Labes in 
dit vers niet bedorven zijn , want de schrijver noemt hem uit- 
drukkelijk eenen tweeden Labes, eTspo? oStos xu Aa^m. Doch 
het vers, waarin men dit leest, is naar mijn oordeel geinter* 
poleerd ; met uitzondering van de twee eerste lettergrepen , die 
het geblaf van den hond nabootsen. Dit dier beantwoordt op 
deze wijze zelfde vraag van Pdilocleon en zegt, gelijk de scho- 
liast teregt aanmerkt, als het ware u^e iiiii. Dit is genoeg 
om zijne tegenwoordigheid aan Ie duiden ; het ^ipevriv van 
Bdeltcleon, met het overige gedeelte van het vers, is overtol- 
lig. Men behoude dos alleen bet kw , au van den hond, dat 
buiten hel metrum staat en tot geen vers behoort, even als m, 
m in VS. 780 van de Acharners. Het verband wint er bij ; want 
Philocleon zegt nu onmiddellijk, op het hooreu van het geblaf: 
iyxöói; y' uP^xxtsTv kx) hx^stz^iv rèi? ;%^üT/!«f. 

VS. 914 vigg. KTXIN. 

xoii (i,6Ti^aiC xItoüvtI (ioi. 
xxItoi rtq vfixt tu TTOinv ^WYiaerxi, 
jjv l^ij t; xifiol Tig Tpo(ïx^\^ t^ xvv) ; 

«tlAOKAEflN. 
oii^iv fieré^uxev ; 

KTflN. 
oó^s T^ KOtvq) y i/iOt. 
Het is mij niet gebleken, dat iemand in vs. 915 vig. iels 
aanslootelijks gevonden heeft : men heeft hel genomen , zoo als 
het daar stond, en den inhoud voor zich zelven goed gemaakt 
met de opmerking , dat het zeer wel in den aard van den als 
hond vermomden» volksmenner liggen kon, niet te dulden, dat 



') Ik \crecnig mij met bet gevoelea van Bïeb , dat iu de uitgave van 



VSS. 902VLGG,, 914 VLGG. 203 

iemand het volk wel deed, ten zij hij eerst ook jegens hem 
zich edelmoedig betoond had. Op zich zelf heb ik daar niets 
tegen ; maar het verband bewijst , dat hier van iets anders 
sprake zijn moet. Laches Was aangeklaagd, omdat hij zich 
aan ontvreemding van staatsgoederen schuldig gemaakt had; 
dit was voorzeker niet eene weldaad aan het volk; niets is 
derhalve ongerijmder dan dat zijn aanklager zulks met dezen 
naam bestempelen zou en toch is men verpligt ófiSi? eu woulv 
daarvan te verstaan : men behoeft de laatstvoorgaande woorden 
van den hond (vs. 910 v]g.) slechts te lezen en met dit vers in 
verband te brengen , om zich daarvan te overtuigen. Aristopha* 
NES kan natuurlijk dezen onzin niet geschreven hebben; bij gevolg 
moet VS. 915 door de afschrijvers bedorven zijn. Gelukkig kost 
het niet veel moeite om den zin , die hier vereischt wordt , te- 
rug te vinden. . In de apologie van Labbs, vs. 971 vig. , leest 
men dat de aanklager van ieder , die met een sommetje te huis 
komt, zijn deel verlangt, en zoo men hem dat weigert, toebijt: 
ocutov fiévav yip «tt' kv etru rii cpèpifi , 
TOVTUV fitTXiTel rè fiépo? • el ?£ fiii , iccxvsi. 
Dit komt ons bij de plaats, die wij behandelen, juist van 
pas. Het spreekt van zelf dat ^tixvsiv in vs. 972 zoo veel betee- 
kent als vervolgen, aanklagen. Labes had aan den aanklager 
niets willen geven , en was om die reden door hem , volgens 
zijne gewoonte , gebeten of aangeklaagd. De aanklager zelf viodt 
het vreemd , dat hij de zaak zoo ver heeft laten komen , want 
hij wist zeer goed wat er op stond ; hij vraagt dus : » en toch , 
»zal wel iemand aan de geregtigheid kunnen ontkomen , zoo hij 
»mlj, den hond, niet een deel van den roof schenkt?" Ziedaar 
den zin , dien vs. 915 gehad moet hebben. Zoo iemand er aan 
twijfelen mogt, moet ook nog de bijstelling van êfiol, r$ uvvl , 
iets bijdragen om hem te overtuigen. De dichter doelt daarmede 
niet enkel op de vermomming van den aanklager ; in dat geval 



Bkbgk., I. p. XVI wordt vermeld. Niet Xaüthus, maar de hond zelf draagt 
de aanklagt voor. Op deie wijze alleen laat zich het gebruik van den eer* 
sten persoon in zijne rede , en hetgeen daarna over het stilzwijgen van den 
anderen hond gezegd wordt, op eene voldoende wijze verklaren. De tritagih 
nist moet dus hij deze gelegenheid als houd vermomd geweest zijn. 



204 De Wespen van Aristopuanes. 

zoude zij vrij overtollig wezen en Beier weggelaten zijn; maar 
xvuv heeft nog eene andere beteekenis, die Lier vooral niet 
voorbij gezien moet worden. Men weet dat de volksmenners 
eene eer stelden in den naam van xu«y raü lyjuov , de hond 
en wachter van het volk , die hlaft , zoodra hij kwaad ver- 
moedt. Zie AnisTOPU. Ridders, vs. lOlS vlgg. en Demosth. legen 
Arislog. p. 782. 7. Zulk een hond wil ook de aanklager ziju, 
maar hij laai zich wel eens door een geschenk bewegen om 
den mond te houden ; Labes heeft dat verzuimd en hem , den 
hond van het volk , niets toegeworpen. Philocleos verwondert 
zich daar mede over en vraagt daarom , als kan hij het naau- 
welijks gelooven , oüTev fjLSTé^uxev ; en de hond antwoordt we- 
der met bijkans dezelfde woorden, oyS' èf*olys t^ kvvI : want 
zóó verbelere men door omzetting de woorden van den tekst , 
OüSf T$ xotv^ y ifioi. 

Zoo wij hiermede den zin van vs. 915 terug gevonden heb' 
hen, komt het er thans op aan, zoo hel mogelijk is, ook den 
lekst Ie herstellen. Ik houd het voor niet onwaarschijnlijk dat 
men lezen moei: 

xxÏTOi Tig ui^xg Ïti ^x$e7v '^vvi!i<tctxi xts. 

Het verschil tusschen hi ^x6eiv en eu woieh is zoo groot niet, 
als hel bij den eerslen oogopslag schijnt. Men houde slechts 
in het oog, dat deze corruptie, gelijk vele anderen bij Aristo- 
PHANES, uil de oude met unciaal schrift geschrevene codices 
herkomstig is , in welke T en T , A en n , en O weinig 
van elkander verschilden en door de afschrijvers vaak verwis- 
seld zijn. Daarenboven werd ■Koieïv , gelijk men weet , veelal 
geschreven Troëlv en de « door een streep boven de voorgaan- 
de letter aangeduid, zoodat ten slotte hel verschil tusschen 
ETIA0EIN en ETüOEIN niet veel te beduiden heeft en zich 
bijkans bij de / van Ut bepaalt. Wat den zin betreft zal Kxislv 
wel geene verdediging behoeven ; men denke slechts aan plaat- 
sen als de volgende : Dehosth. p. 365 , 25. o« yxp xv (ifixi 
xié^ii , ToïiTov xcpisre toT? 6so7? xoXx^siv ; de beteekenis van m 
wordt nader bepaald door hel volgende vers: «hoe zal iemand 
in staat zijn om zijne misdaden langer voor u verborgen te 
houden, wanneer hij mij, wiens beroep het is ze aan Ic bren- 
gen (rw xvvi) , niets mededeelt ?" 



VS. 914VLGG., 957 VLGG. , 973 vlg. 205 

VS. 937 vlgg. AxfStjTt [ixprvpxq irxpsivxi Tpv^xlov , 

Het parlicipium irpo^KSKxvfiévx is ten eeneniale ongeschikt, 
om hier als epilhetmt, van (rx«ü)j te worden gebruikt. Ten eer- 
ste heeft de bevoegdheid om te getuigen , welke in dit regts- 
geding de stukken huisraad bezitten, niets te doen met* de 
vraag of zij aangebrand zijn , al dan niet ; er zijn zelfs stukken 
onder , zooals de kaasrasp en de stamper , die nimmer op het 
vuur komen; ten andere past het deelwoord alleen bij potten 
en pannen , terwijl Bdeltcleon onder t«aa« <rKs6>i natuurlijk 
alle stukken begrijpt, die het feit hadden bijgewoond, en in de 
heide vorige verzen niet met name genoemd waren. Het woord 
is bedorven ; men leze : 

KX) TXXXX Sc VKSÜtl Tk TT p O IT K SKXmiév X, 

Het oproepen van getuigen heet bij de Alheners Tpo<rx.xXeï<Téxi. 
Men zie b. v. VhSJoLegg. p. 936. e. sxv ti? ixuv fiij 6èi.T(i fAxp- 
TupiTv , Tpoffxx^sïjdxi Tov 'Seóficvov • o Sè 7rpoerx\r] it)? 
XTTXVTXTU Trpo? riji/ S/x)jy. Demosthbjies p. 850. 14. Tpo(Txx\oü(ixi 
(xiiTBv) xxTx Aiiiiwvoi fis (/.xprupixv. Het lidwoord voor axBim , 
dal de dichter na tx^^x niet kan herhalen, is om die reden 
door mij veranderd in Si. 

VS. 973 vlg, OIAOKAEXIN. 

x'ijSoT , tI xxxÓv TtoT iaf orcp fix?i^TTOfiXi i 

xxxiv Tl TTtpifiivsi fiS xxvxireiio/ixi. 
Dr. HiRscHiG heeft in zijne Annot. Crit. p. 73 , naar mijn in- 
zien, te regt aangetoond, dat vs. 973, zoo als men het thans 
in de uitgaven vindt, onmogelijk goed kan wezen en den zin 
niet heeft, dien de uitgevers er aan hechten. Doch de door 
hem voorgestelde verbetering: 

xl(3o7 , Ti xxxh ri tot' la-ö' ot^ (j,xhXTrofji,xi ; 
is in een ander opzigt minder voldoende. Ik kan mij niet be- 
grijpen , hoe Philocleon , die door de rede van zijnen zoon 
bewogen was en zeer goed moest welen , wat hem getroffea 
had, met de grootste onnoozelheid zou kunnen vragen: «Ach 
j>mij, wat mag het toch zijn, waardoor ik week word?" Ik 
geloof, dat men beter doet met de lezing tI tI xxxiv van de 



206 De Wespen van Aristophanes, vss. 973vtc., 992. 

Codd. VR. weder in te voeren en het vers, met weglating van 
TToré , te verdeelen naar liet voorbeeld van vs. 157: 

SAN0IA2. 

o'lfiOl. 

znsiAS. 

Tl i(TTi ; 

HAN0IA2. 

Op dezelfde wijze schrijve men hier : 
^lAOKAEflN. 
ctl(3o7. 

BAEATKAEHN. 
t/ rh K»KÓv i 

4>IAOKAEnN. 

I(7Ö' OTCj) (iX^XTTOfiXI. 

Hiermede is echter niet alles gedaan : het moet eiken lezer 
opvallen , dat het tweede vers in andere woorden dezelfde ge- 
dachte uitdrukt als het eerste , en eigenlijk niets is , dan eene 
herhaling van hetgeen daar reeds gezegd was. Ik houd het om 
die reden voor waarschijnlijk, dat deze beide verzen oorspron- 
keiijk niet naast elkander stonden , maar door een stuk van de 
apologie gescheiden waren. Het tweede vers zou b. v. zeer 
goed op zijne plaats zijn na vs. 976; want, als Philoclbon zij- 
nen zoon heeft hooren vragen xoü rx xxilix; kan hij wel na- 
gaan dat men in den zin heeft om een' nieuwen en gedachten 
aanval op zijn gevoel te beproeven. 

vs. 992. ê^i)irxT>tTXi KXTréXsXvxev oiix ê>cèv. 

Eene ongerijmde interpolatie, die hoe eerder hoe liever uit 
den tekst gebannen moet worden. Men bedenke slechts, hoe 
belagchelijk het is, dat Bdelycleon, die deze woorden tot de 
toeschouwers rigt , hun iets als nieuw mededeelt, wat een 
oogenblik te voren in hun bijzijn en voor hunne oogen heeft 
plaats gehad. Daarenboven verneemt men een paar verzen later 
de uilkomst der stemming , welke duidelijk genoeg spreekt, om 
het publiek zonder verdere toelichting op de hoogte te brengen. 
Hilversum, Jan. 18K4. H. G. Hamakeu. 

[Hel vervolg in een volgend nummer). 



AANTEEKENINGEN 

OP DE 

WESPEN VAN ARISTOPHANÉS. 

{Vervolg van hl. 206). 



Vss. 1029—1042. 

oyS' 0T£ TrpÜTÓv y Sjp^e ^i^iffKtiv , ivöpérroig (pijj' ê^iêiiréxi , 

«AA* 'HpaxAiou? Spytiv riv' l;c«v To7(rt [Mylirroii; iirixeipsTv , 

ipxatut; ^vcrrxi; euêu? «t' xpx*i? «ut^ t^ Kxpxxpó'SovTi , 

OU "èeivirxTXi fièv «x' i<pdxXiiüv VLvvvng txKrTvs? lAasjctjrov, 

èxxTOv Sè Kvx^cp xeCpxXxi xoXxxav o'ifiu^oiiévuv ê>,tXfiüvTO 

irep\ Ti)v xsCpx^iiv , Cpaviiv 5' tTx^v -xxpxSpxg l^eipov tstoxvIx? , 

<pèxm S' oVft^v , Ax/ilxi; 5' Spx^'^ «TAurau? , jrpuxrbu Sè xxptiiXov . 

TotoÜTOV (Swi/ Tfp«? flJ <p)j(r*v "ieivxi xxrxSupóhox^irxi, 

<êAA' ya-Jp ü/t««v sTi xx) vuv) ■7ro}.s(isi' (pvjfriv ie (ist xiirh 

To7$ ^TTixMig tTix^ip^axi iripu(Tiv xx) rdïg vupiToIaiv , 

o* Toug irxrspxi t' ^yx"^ vvxrup xx) rovi "irxirirovi XTrèwiyov, 

KXTXx^ivéfiivol T f jr« TxTi xolrxti èir) rdtaiv X7rpxypi.07iv vfiüv 

dvTu/ioirixi xx) vpo(TxXyi(ieig xx) (ixprvplxg vuvixóxxav , 

«o-t' xvxTTvitxv 'Seti^xlvovrxi xsAAoi»? «« tou iroxéiixpxové 

De veertien verzen, die men hier leest, zijn geinterpoleerd 
en voor een gedeelte ook onecht. Eene stelling, die den 
tekst zoo aanmerkelijk wijzigt, vindt niet ligt goedkeuring, 
maar stelt veeleer hem, die haar opwerpt, aan het verwijt 
eener ligtvaardige verheterzucht bloot. De bewijzen, die ik 
meen te kunnen aanvoeren , zullen mij , hoop ik , in dit geval 
tegen zulk eene beschuldiging vrijwaren. 



242 Db Wespen van Aristophanes. 

Men behoeft de plaats niet met veel oplettendheid te beschou- 
wen , om al spoedig te bemerken , dat zij uit twee afdeelingen 
bestaat, waarvan de eerste, die den strijd des dichters tegen 
Cleon betreft, doorloopt tot adn de tweede helft van vs. 1037. 
Dit gedeelte biedt een voor de kritiek merkwaardig verschijnsel 
aan ; men vindt het bijna woordelijk terug in de parabasis van 
den Vrede, vss. 731 — 760; alleen in de eerste en laatste verzen 
openbaart zich eenig verschil, doordien het verband hier en in 
den Vrede niet hetzelfde is. 3Ien meene echter niet dat deze om- 
standigheid op zich zelve de plaats in mijn oog verdacht maakt. 
Niets verbood den schrijver om uil een vroeger werk eenige 
verzen in een later over te brengen, indien het onderwerp en 
de behandeling ze daartoe bijzonder geschikt maakten. Maar 
al mag men zulk een geval van den dichter verwachten, dat 
die verzen hunne afkomst door niets zullen verraden, en naar 
den schijn te oordeelen, voor de plaats zelve gedicht zullen 
zijn ; toch blijft het altijd veeleer mogelijk , dat het verband 
daar , waar de verzen geleend en niet te gelijk tatt de overigen 
gemaakt zijn, iets te wenschen overlaat, dan in het oudere 
stuk, waar zij oorspronkelijk te huis behoordeü. Dit is de 
zwakke zijde van de plaats, waarover wij spreken : de verhou- 
ding is omgekeerd. In het jongere stuk , den Vrede , valt er 
niets op aan te merken en past zij bij uitstek goed in het 
verband; in de Wespen daarentegen, het oudere stuk, waar- 
voor Aristophanes haar zou geschreven hebben , is zij in meer 
dan een opzigt ongepast en verraden de verzen, die haar 
met het voorgaande en volgende verbinden moeten , gebrek 
aan oordeel en smaak, ja zelfs feilen tegen de taal. Een ver- 
schijnsel als dit is slechts voor ééne uitlegging vatbaar; dat 
namelijk de plaats door den dichter voor hel jongere stuk, 
den Vrede , gemaakt , maar lang daarna door eenen knoeijer , 
ik kan niet gissen waarom, in het oudere, de Wespen, over- 
gebragi is. Eene vergelijking lusschen de plaats, zoo als 
zij in den Vrede voorkomt, met de copie in de Wespen, zal 
ons best in staat stellen, om de meerdere of mindere gegrond- 
heid mijner meening te beoordeelen. Wij beginnen met den 
Vrede. 

In den Vrede slaan de bewuste verzen niet op zich zelve. 



vss. 1029—1042. 243 

maar zien wij in hen de voortzetting en het slot van een hc- 
toog dat reeds met vs. 734 begint. De dichter roemt den in- 
vloed, dien hij op de blijspeldichters van zijnen tijd uitgeoe- 
fend heeft en de veredeling van het blijspel, die daaruit gevolgd 
is; zijn voorbeeld heeft bewerkt, dat men niet meer telkens 
hongerige Herculessen en slaven , die geslagen worden , op het 
tooneel brengt; die platte grappen heeft hij afgeschaft en de 
kunst grootscher en edeler gemaakt: 

TOixÜT xcpeXoov KXKX xx) Cpóprov xx) (3ufio>,oxev/^XT' xyevvtj , 

s7:oi^7s rsxvijv j^eyx^v ^(mv xxTrvpywtr' o]xo^o(ji,)!jrxg 

iirsiTiv fisyxXoti; xx) 'Sixvolxiq xx) (TXUfif^xiTiv oöx «yopxlotg , xts. 

Maar het is niet genoeg dat de dichter verzekert de kunst 
bevorderd te hebben; hij moet ook aantoonen door welke mid- 
delen. Hiertoe strekt de plaats, die wij behandelen (vs. 751 
vlgg.) , en welke onmiddellijk volgt op het laatste van de drie, 
zoo even door ons aangevoerde , verzen : 

oiix 't^iÜTxg ivipwTr'KTxovg xuf/y^^au oii^s yvvxTxx? , 

«AX' 'HpxxXéovi; ipyviv tiv' I%«i/ To7<ri f^syirTOii; sirsxsipei , 

hx(ixi; ^vptrüv otTfixg tstvxg xxttsi^xi; I3op(3opoövfiovg. 

xx) ■jrpSiTov lASV (i»xoiJi-s^t ttxvtuu xüt^ tSs xxpxxpo^ovTi , xts. 

De vier volgende verzen verschillen in geen opzigt van die 
welke men op dezelfde plaats in de Wespen leest, het slot is 
weder eenigzins anders: 

TOiovrov 'i^iiv répxi; ov xxre^sij, «AA' ÜTTsp üfiüv 'Tro^.sfii^uu 

xvTsTxov xe) xx) t«v «AAwf v>)(rwf. 

Met uitzondering van eene corruptie in het tweede en vierde 
vers, waarop wij later terugkomen , is de taal onberispelijk en 
de schildering van Cleon uitmuntend te pas gebragt. 

Wat de taal betreft, boude men nog in het oog dat Cleon , 
toen de Vrede opgevoerd werd, reeds gesneuveld was; dit is 
oorzaak, dat de dichter, waar hij van hem spreekt, overal het 
imperfectum bezigt. 

Wanneer wij thans tot eene beschouwing van de plaats in 
de Wespen overgaan, moet het ons al aanstonds opvallen, dat 
zij daar niet , gelijk in den Vrede , met het voorgaande zamen- 
hangt, maar als een nieuw en op zich zelf staand bewijs van 
de voortreffelijkheid des dichters voorkomt. De schrijver heft 
aldus aan : 



244 De Wespen van Aristophanes. 

eüS' 0T£ irpüróv y vif^e itiisKstv ivipüirott; Cpvir' iTTiSéirixi , 
«AA' 'H/)«xA£oy$ opyt^v t/v' I;c«v ToTai lieyiaroi? tTrix^ipüv. 
Dr. HiRscHiG heeft in zijne uilgave van de Wespen leregt 
beweerd, dat xvSpdiToit; niet geschikt was, om als tegenstelling 
te dienen van toïti /jisyhToi?. Hij wil daarom (pijri weglaten en 
naar aanleiding van vs. 752 van den Vrede , het verkleinwoord 
invoeren en lezen : 

OvV 0T£ TTpÜTÓv y' ijp^S ti^»<TKCIV «vipUTrlffKOli kviéMxi. 

Doch hier tegen kan men in het midden hrengen , dat voor- 
eerst (JJija-/ onmisbaar is , dewijl met dit vers een nieuwe volzin 
begint en dus èxiihêxi mei van het voorgaande (l)»}?/ in vs. 1027 
mag afhangen; voorts krijgt het verkleinwoord in den Vrede 
den vereischten zin door de bijvoeging van l'Siarxg; maar iv- 
dpuiriaxoii; alleen is even weinig geschikt om eene antithesis te 
vormen met Tolai (isyla-ron , de grootste en magtigste staatslie- 
den, als de oude lezing xvSpüiron, 

Ik geloof dat men beter doet met zich van elke poging tot 
verbetering te onthouden, en vereenig mij met het gevoelen van 
Prof. CoBET, die het vers voor onecht verklaart, zie Mnemos. 
I. 427. Want de fout door Hirschig aangewezen is niet de 
eenige , waaraan het mank gaat. De particula ye achter vpü- 
Tov , die in de codices ontbreekt en door de uitgevers inge- 
schoven is om het metrum te steunen, beteekenl bier niets; 
ook lette men op het verschil tusschen den aoristus iTtiök6xi 
in dit vers en het praesens èirixupstv in het volgende, waaruit 
men met regt besluiten mag, dat deze twee verzen niet bij 
elkander behooren en niet van dezelfde hand zijn. Wij houden 
dus met Gobet het eerste vers voor onecht; doch men kan 
hierbij niet blijven stil staan. Het vers moest dienen , om 
tevens als hechtpleister de plaats uit den Vrede, met het 
voorgaande te verbinden en de eerste helft der antithesis te 
vervangen, welke, om hier bruikbaar te zijn, eenigzins moest 
worden gewijzigd. In beide opzigten schiet het te kort; doch 
de lezer, die de volgende verzen behouden wil, moet er zich 
mede vergenoegen. Het vers is voor het verband volstrekt 
onmisbaar; hij, die het uitstoot, is verpligt ook de volgende 
verzen , die er aan geknoopt zijn , uit den tekst te verbannen. 
Alleen in geval vs, 1030 zich zonder nadeel voor den zin 



vss. 1029—1042. 245 

met VS. 1028 liet verbinden , zou men dit dilemma kunnen 
ontduiken , doch het onderwerp , dat daar behandeld wordt , 
is van een' anderen aard en ongeschikt om als eerste lid der 
antithesis tegenover vs. 1030 gesteld te worden. Evenwel zal 
menig een huiverig zijn om dertien verzen te veroordeelen 
ter wille van één vers en liever een anderen uitweg zoeken ; 
doch wij zullen weldra zien, dal onze gevolgtrekking niet Ie 
hard was en door vele bewijzen in de volgende verzen beves- 
tigd wordt. In de eerste plaats lette men op het praesens èwi- 
Xetpeïv , waarvan wij zoo even reeds met een woord gewaag- 
den ; in den Vrede leest men daarvoor ê'jrexeipsi ; de inlevpola- 
tor had eenen infinilivus noodig en heeft er daarom i7n%£iptTv. 
van gemaakt; hij wist echter zeer goed dat hier een aorislus 
staan moest en schreef daarom zelf in hel voorgaande vers «V/- 
61<t6xi ; maar zijne handen waren door hel metrum gebonden. 
In de volgende verzen, die woordelijk uit den Vrede zijn nage- 
s<<hreven, komt alleen hel gebruik van het imperfectum bij de 
schildering van Cleon in aanmerking. Wij hebben boven reeds 
gezien , dat in den Vrede het gebruik van dien tijd een nood- 
zakelijk gevolg is van de omslaadigheid, dat Cleon toen niet 
meer leefde: maar in de Wespen, die opgevoerd zijn toen dit 
alles nog op den levenden Cleojj toepasselijk was , zou de dich- 
ter, zoo de plaats voor dit stuk gemaakt ware, ongetwijfeld 
het praesens gebruikt hebben. Op deze verzen volgen ten slotte 
wederom twee anderen , die gedeeltelijk door den interpolalor 
gewijzigd en verknoeid zijn en ten sterkste tegen hem getui- 
gen ; zij luiden aldus : 

TOioÜTOv l'Swv rip»? oS (p>ifiv ^eiaxg KXT»Sc0po^OKij(rai , 

«XA' vTrip {/(iüv in x«) vvvï 7roXs(itT. 
Hier lette men in de eerste plaats op het verbum xxTxSupo^ 
xiirxi, waarvan de beleekenis zijn moet, voor geld of geschen- 
ken verraden. Het woord komt evenzoo voor bij Lvsus , in d& 
redevoering tegen Epicrates, p. 178, 6. kxItoi tIvx xpij sxwi^x 
ixeiv auTvtpixi; , ottÓtxv iv xP^f**^'V ? xx) ffuêijvxt rg TTÓ^ei Kxi 

fiil , TXVTX Sè OUTOl , CpühXKe? U(|)' UllÜV KXTXJTXVTSt; KX) TÜV 

èchKOÜvrav KoKxaTxi, K^ivTuai te kx^i Kxrx'Supo^oKwcn. Maar 
tegenover deze plaats , die om den trcurigen staat , waarin de 
tekst van Lisias zich bevindt, niet veel gezag heeft, slaan 



246 De AVespen van Auistopuanes. 

twee andere plaatsen, die bewijzen dat niet KXTx^upohxsTv , 
maar het medium KXTxlupoZoKslirèxi iu gebruik was. Eene 
daarvan vindt men bij Aristophanes zelven, in de Kikvorseben, 
VS. 354: 

evCptffisTv xph xi^l(TTX<TÖxi rolg ^(iSTspoKTi xopoïaiv 
07Tii xweipoi TOtüvie hóyuv 

)} (TTxaiv èxipxv fiii y,XTx>,\)ii , /Ct»j5' euKO^ó^ itTTt woXirxiq , 
«AA* xveyeipei xx) piTTÜ^ei , xep^üv llluv iTtSufiüv , 
ii TÏji TTÓXea; x£iiJt,x^opiéyvi(; xpxav xxtx'Su potoKsTTXi, 
>} TrpoZïhuciv (ppovpwv vj vx\)?. 
De andere plaats komt voor bij Aristoteles , Polit. IL 9 (Bbkkeb. 
pag. 1271. o) 0xivovTXt §è xx) xxrx'Sapoioxoóiievoi xxl 
xxTXxxpi^éfievoi iroXX» rüv xoivüv oi xexoivuvtixiTtg t^? oipx^i 
Txór^i;. Men beeft op beide plaatsen ten onregte getracht xx- 
TxSapo^oxsTiróxt tot een passivum te maken , dat zou beteekenen 
omgekocht worden ; bij Aristoteles behoort blijkbaar sroAA» 
rüv XOIVÜV als object zoowel bij xxTx^upo^oxoü/ievoi als bij xxtx- 
Xxpi'^ófievot en verschilt de beteekenis dier woorden alleen in 
zoo verre dat het eerste wil zeggen voor geld, hel tweede, 
uil vriendschap de belangen van den staat ten gunste van ie- 
mand opofferen. Ook bij Aristophanes heeft het verbum deze 
beteekenis , maar de dichter, die in het algemeen spreekt , 
heeft geen object daarbij gevoegd. Voorts bedenke men dat 
ook ^apohxs7(TÓxt , zonder xxtx, in het medium beteekent, voor 
geld een ons toevertrouwd belang verraden ; zoo vindt men b. v. 
bij Demosthenes in de redevoering over het Gezantschap , p. 446. 
20. oTt Sè Txv$' xT^ui S«S«/9oSo'x)f vT«/ xx) rifiiiv ex^'^^'v 
xirxvTuv TOvTuv ouTOi , iroXXxxiitv fièv ïyuy o7pt,xt iijXov u/i7v 
thxi TxXxi , xTk. Het is dus meer dan waarschijnlijk dat men 
bij Lysias xxTx'èapoSoxüvTxt verbeteren en in het vers, dat wij 
behandelen , bet activum xxTx^apoloxijiTxi voor rekening van 
den inlerpolator laten moet. In bet volgende vers (1057) heeft 
ToAf|t*ff7 mijne aandacht getrokken; want de dichter gebruikt, 
waar van zulk een' krijg sprake is, als hij in zijne blijspelen 
tegen Cleom voert , naar ik meen , bij voorkeur iroXenit^eiv ; 
zie de Wolken vs. 419 en den Vrede vs. 739. Ik wil echter 
bier niet te sterk op aandringen; het kan zijn dat mijn gehcu- 



vss. 1029—1042. 247 

gea mij bedriegt. Doch uiet alleen het verbum , ook de tijds- 
l>epaling, hi kx) vuvI , is ongelukkig gekozen. De Alheners be- 
dienen zich van die uitdrukking bij eene zaak, die betrekkelijk 
lang geleden is en legen verwachting nog stand houdt. Zoo 
zegt b. V. PisTHETAERus in de Vogels, vs. S21 , na verzekerd te 
hebben, dat men oudtijds niet bij de goden, maar bij du vogels 
plagt te zweren: 

Ax[i7ruv 5' önvutr'' hi x») vuv) tIv x*!") ó'txv è^x7r»röi ri, 
en leest men in dit stuk, vs. 1089, dat de moed door de Alhe- 
ners te Marathon betoond , oorzaak is-: 

UtTTS TTXpX rolg (3xp^»pOl(Tt TtXVTXXdxi KX) VÏIV STt 

(iitSiv 'Attikoü KX\£T(r$xi (r(pti)iii; «v^pixèTepov. 

In zulk een geval is kx) vüv hi op zijne plaats; maar de 
dichter zou zich belagchelijk gemaakt hebben, zoo hij deze uit- 
drukking had toegepast op eene zaak , die, van de opvoering der 
Ridders tot die der Wespen, niet meer dan twee jaren, geduurd 
had, en welker voortzetting in dil korte tijdsbestek hem de 
hulde zijner medeburgers nog geenszins waardig maakte. 

Mijn beitoog is. wat het eerste gedeelte der veertien verzen 
betreft, dat over Cleon loopt, hiermede ten einde gebragt. Wij 
zouden dus tot het tweede gedeelte kunnen overgaan, indien 
mij niet over vs. 751 vlgg. van den Vrede nog iels te zeggen 
overbleef. Men leest daar thans: 

oiiK ï'SiÜTXi; xvipavhuoui; xupi.^'^üv oyJI yuvxTxxi;, 

«A.A.' 'Hp«xAioy? ipyiiv tiv' sx^v toTui (x-eyitTroK; iTtx^'P^'r 

hxj^x? (Svpjüv i(Tu>xi ^sivkq xiveiXxi; (3op(3opo6ó(iOug. 

XXI irpÜTOv (juv ii»xBt*»i TTXVTav air^ r^ xxpx^pi^ovTt , xts. 

Deze plaats is niet zóó uit de hand des dichters gekomen , 
als zij hier voor ons ligt. Hieraan moet men het wijten, dat 
tegenover xwittpSav niet, gelijk men verwachten zou, een an- 
der participium geplaatst is , maar het imperfectum' èirexeiffi , 
en dat het volgende vers , 

iix0xi (Suprüv êvfix? ^eivxf xiveihxq ^pp^opoSófiOug , 
dat bij uitstek geschikt was om eene schildering van den strijd 
des dichters tegen Cleo.\ te. openen, thans eenen volzin beslui- 
ten moet, waarin die strijd niet genoemd wordt. Niet min- 
der vreemd is het dat de dichter in het volgende vers , 

XX\ WpÜTOV liSV HXXOC-Oil TTXVrUV XUT^ r^ xxpxxpó^ovTi- 



248 De Wespen van Aristophanes. 

van voren af aan begint, als had hij van Clbon en zijn' aan- 
val op hem nog geen woord gerept, terwijl toch het voorgaan- 
de vers 5/«/3i«? /3. o. xts. onmogelijk van iets anders verstaan 
kan worden. Ten laatste lette men ook nog op de partikel 
(ih achter TpuTov, welke door geen Si gevolgd wordt en dus 
bier niet te huis behoort. Gelukkig bezitten wij in het af' 
schrift van deze plaats, dat de inlerpolalor ons in de Wes- 
pen geschonken heeft, een brokstuk van eenen codex, die 
in zuiverheid en oudheid de onzen verre overtroflen moet heb- 
ben. In dien codex las men blijkens vs. 1031 van de We«- 
pen , niet x») xpürov [ih fixxof*"" ^»vtuv , maar êpaaiaq ^u- 
iTTXi sCióu? «jt' iip%)j? xÜT^ T^ Kupx/xpó^ovTi. Mcu aarzelc niet 
deze lezing weder in den tekst van den Vrede op te nemen ; 
zij neemt al de moeijelijkheden weg, die ik zoo even heb 
genoemd ; cTrszelpei kan nu een participium worden en de zin 
doorloopen na vs. 743. De plaats krijgt hierdoor thans de 
volgende gedaante : 

cvx ïtiÜTxi; (iv6pu7rl(rxou? xuficfi^üv oö^s yvvxTxxf , 
«AA' 'Hpxxxiov; opyijv tiv' exuv ToT(Tt (isyirTOi? ÈTix^ipüv , 
^ix(Saii {3up(rüv i<r(iXf isivxi; xxTrei^xi ^opjSopoSvfiOvs , 
Spx(réug ^u7Txi; ei/Sui; xit' xpx>i? xïiT^r^ xxpx^p^^ovri , xts. 
De verbastering van het laatste vers is denkelijk het gevolg 
van eene paraphrasis , die eerst de woorden des dichters ver- 
drongen heeft, en toen zoo tamelijk met «ur^ tü> xxpxxpéiourt 
lot een vers verbonden is. 

Het tweede gedeelte van de verdachte plaats, dat wij nu gaan 
beschouwen , komt in zoover met het eerste overeen , dat het 
ons op een onderwerp wijst, door den dichter in een vorig 
blijspel behandeld. Het is echter hier niet zoo gemakkelijk te 
gissen , welk stuk en welke zaken hij op het oog heeft. De 
fcholiast en naar diens voorbeeld ook de geleerden van lateren 
lijd, zien inde plaats eene toespeling op de Wolken, die juist 
één jaar te voren waren opgevoerd. Aristophanes zou met 
>}7r/«As; en Truperol de leerlingen van Sokrates bedoelen , die in 
genoemd stuk meermalen uxpol , èxpiüvrt? en rèv xp^'''* S(«- 
xexvxtirtiévoi heelen. In het volgende vers zou de dichter van 
hen zeggen, dat zij hunne ouders vermoordden, omdat Pheidip-. 
fiDES, na door SoKruTEs onderwezen te zijn, zich niet ontziel 



vss. 1029- 1042. 249 

zijnen vader te slaan. Hierop kan men antwoorden, dal Aristo- 
PHANES in de Wolken de leerlingen wel bleek noemt , maar niets 
zegt , waaruit men met grond mag opmaken , dat zij werkelijk 
kranke , aan koortsen lijdende menschen zijn ; hun voorkomen 
wordt veeleer enkel aan de studie, en de mindere zorg die zij 
aan het ligchaam besteden, toegeschreven; zie vs. 414 vlgg. 
Wat het tweede punt, den vadermoord, betreft, stemmen wij 
gaarne toe dat Phidippides zijnen vader met weinig eerbied 
behandelt en dit zijn gedrag met behulp der sophismata van So- 
KRATEs verdedigt; maar er is toch een aanmerkelijk onder- 
scheid tusschen deze handelwijze en eigenlijk gezegden vader- 
moord; van dezen laatsten wordt in de Wolken zelfs niet in 
het voorbijgaan gesproken. Veel sterker nog, dan hetgeen wij 
tot hiertoe hebben aangevoerd , pleit het derde punt tegen de 
opvatting van den scholiast, dat namelijk diezelfde koortsige 
leerlingen van Sokrates , met vadermoord niet tevreden , 
xxTXK^ivé(isvol t' im rxl^ xoirxig iTr) toï(tiv xirpxyf^ojiv vfiüv 
xvTUfiO(7lx? xx) ■jrpocrxXi^a-eti; xx) fixpruplx? (ruvsxó^^uv , 
usdt" xvx'irt^^xv teiiixivovTXi woXXoui; u? rhv voXèiixpxov- 
Van dit alles vindt men in de Wolken geen spoor of teeken. 
De leerlingen van Sokrates zouden wel , naar de meening van 
Aristophanes , bij uitstek geschikt zijn voor sykophanten, maar 
hij laat hen die rol niet vervullen en spreekt zelfs over dat slag 
van lieden in dit stuk minder dan b. v. in de Acharners , de 
Ridders of de Vogels. De scholiast geeft zich dan ook geene 
moeite om te verklaren , hoe het mogelijk is , dat deze drie 
verzen op de Wolken zouden doelen, maar laat dit vraagstuk 
wijselijk onaangeroerd. Als men dit in aanmerking neemt en 
tevens bedenkt, hoe onwaarschijnlijk en gezocht de uitlegging 
is, die men aan de beide voorgaande verzen geven moet, om 
daarin eene toespeling op de Wolken Ic kunnen vinden , zal 
men niet aarzelen om met mij het verzinsel van den scholiast 
te verwerpen en eene andere oplossing Ie zoeken. Het laat 
zich echter aanzien , dat al onze pogingen vruchteloos zou- 
den zijn, zoo niet, bij geluk, het blijspel dat Aristophanes op 
het oog heeft, nog heden onder zijne overgeblevene werken 
voor ons te lezen was; want men vindt alles, waarop hier 
wordt gezinspeeld, in de Vogels (erng. De Vogels zijn acht ja- 



250 De Wespen van Abistophanes. 

ren na de Wespen opgewerd; derhalve moeien de verzen, welke 
op dal slak doelen , even als die over Clbon aan hel jongere 
blijspel, den Vrede, ontleend zijn, uit de parabasis van een 
blijspel zijn overgenomen, dat één jaarna de Vogels (vs. 1038) 
en dus negen jaren na de Wespen op het looneel gebragt is. 
Wij zullen trachten deze stelling , die misschien wel wat stout 
schijnt, zoo goed mogelijk toe te lichten. 

De dichter noemt, zoo als wij weten, drie pesten van de 
maatschappij, waarop hij in zijn blijspel van het vorige jaar 
een aanval beproefd heeft , de koortsen , de vadermoorders , de 
sykophanlen. Zoo mijne meening gegrond is en Aristopüanes 
hier inderdaad aan de Vogels denkt, moeien wij ook in de 
Vogels de enkele plaatsen of tooneelen kunnen aanwijzen, waarin 
hij telkens op ééne van dit. drietal het gemunt heefl. Wij 
willen het beproeven en terstond aanvangen met het eerste 
vers, dat de ziekten betreft. De woorden zijn: 

To7( ^TTiti^oit lirix^tpyi<rxt wépviriv k») roJq wufSTOlaiv. 

Wij hebben reeds gezien, hoe men gepoogd heeft dit op de 
Wolken toe te passen en behoeven dus daarop niet terug te 
komen. De zin is inderdaad eenvoudig en laat zich uit de Vo- 
gels op de volgende wijze verklaren. Abistophanes laat in dat 
stuk de vogels, op raad van Pisthetaerus , eene heerlijke stad 
stichten , welker ligging tusschen hemel en aarde hen in staat 
stelt om de goden te vervangen en met meer welwillendheid 
dan deze der menschen geluk te bevorderen en hun onder an- 
deren ook gezondheid te schenken. Zie vs. 605 vlgg. De ge- 
heele zaak is natuurlijk een loutere grap en ook de toespeling 
daarop in dit vers moet als een grap worden beschouwd. De 
gezondheid welke de dichter de menschen van de vogels laat 
ontvangen , wordt door hem lagchenderwijze een aanval op 
de koortsen geheten, die met de overige ziekten, welke zij 
vertegenwoordigen , hun rijk verliezen. Ziedaar alles ; men 
zou verkeerd doen met een' dieperen zin in het vers te zoe- 
ken. 

De aanval op de vadermoorders , die thans volgt , is ern- 
stiger gemeend en heeft eene zedelijke strekking ; wij moeten 
echter, eer wij tot de uitlegging overgaan, eene kleine cor- 



vss. 1029—1042. 251 

Fuplie wegnemen , die thans vs. 1039 ontsiert. Zoolang men 
in de koortsen van hel vorige vers, niet ziekten, maar zieke 
menschen zag , bestond er geene reden waarom het relalivum 
o" niet op die menschen zou kunnen slaan ; doch zoo men met 
ons de koortsen neemt voor hetgeen zij zijn , kan het relati' 
vum, tenzij men onzin lezen wil, daarop geene betrekking heb- 
ben. Men schrijve derhalve : 

Tolq ^7rix>,oii; èirixsff^irxi Trépuiriv xx) to7( wpsrolaiv , 
XV roui wxTÉpxi t' üiyxov vÓKTup xts. 
De dichter zegt , dat hij behalve de koortsen ook de zonen 
aangetast heeft , die hunne vaders of grootvaders vermoordden. 
Men vindt het tooneel, waarop hij zinspeelt, in de Vogels, vss. 
1337—1371. Een vadermoorder, die vanden bloei der nieuwe 
vogelenstad gehoord heeft , verlangt daar burger te worden , in 
het denkbeeld dat volgens de wet dier slad , vadermoorders niet 
alleen niet gestraft worden maar zelfs in eere zijn : 

óV; xx},bv vopcï^erxt 
tIv irxripx roïg Spvtvtv xyxeiv xx) Mxvstv. 
Het is daarom , zegt hij , dat 

Sfyp' xvoixiirêeïq èyu 
x^X^'v iTTtêufiü riv Ttxrèpx xx) irivT" Ix^iv. 
Hij wordt echter door Pisthetaerus beter ingelicht , die hem 
beveelt zijnen vader in het leven te laten en zelf als soldaat, 
een hard leven leidend, zijn brood te verdienen. Hierop be- 
looft de zoon beterschap en gaat ongetroost naar huis. 

De derde aanval des dichters was gerigt tegen de sykophan- 
ten, die 

KXTXxXivói^evoi t' iir) rxTg xohxig iv) roïviv xTpxyfioirtv ufiüv 
dvTafiO(Tlxg xx) 7rpo7xXyi<Tsii xx) (ixpTvpixg avvBxé>,>,uv , 
uitt' xvxTrijixv ietfixlvovrx? toAAou? w? tov Tro^é/ixpxov. 
Hier mag men niet zonder reden vragen, waarom toch de 
dichter gewild heeft, dat deze lieden bij voorkeur xxrxxKivófisvot 
iir) Txli; xonxii hunne processen voorbereidden. De uitleg* 
gers , die met den scholiast in fjTrixXoi en irvpsroi aan koortsen 
lijdende leerlingen van Sokhates zagen, hebben het, naar het 
schijnt , zeer natuurlijk gevonden , dat die arme zieken te bed 
liggende hunne kwade praktijken pleegden. Doch deze uitleg- 
ging, zoo zij dien naam verdient, vervalt door onze verklaring 



252 De Wespen van Abistophanes. 

van VS. 1038. Men verandere kxtxkXivói^svoi in eenen accusa- 
tivus ; hel behoort bij het voorgaande irxitvoMq ; en vcrplaalse 

de parlicula na fV) toTji: 

XV T^U? TXTSpXi T ij^X^V VÜKTWp Xx) TOXIi TXTTTOUg xirtTTviyov 

xxTxx^ivofiévovg tv txIq xoirxtg , tV/ roïvl t' xTrpxyfioviv 

(vfiÜV XTS. 

De vadermoorders dachten namelijk even als Xbnophon in de 
Cyropaedie VII. v. Ö9. ov^xfiov xvSpuTOi eiixtipuTÓrepoi s'iatu yj 
iv (riroiq xxt itotoTi; xxi XovTpü xx) xolrip xx) vTvcp. Ik heb 
ix) in êv veranderd, omdat de Atheners bij xoim en soortgelij- 
ke woorden meestal h gebruiken, èv tóï? rrpü/ixcriv, iv x>.lv^ , 
h xoiriji enz. , ook wel èm met den genilivus; maar fV/ met 
den dalivus heb ik daarbij nimmer gevonden. 

Behalve deze corruptie heeft de plaats , die wij voor ons heb- 
ben, nog eene zwarigheid van een anderen aard. Men leest al- 
daar, dat de slagtoffers der sykophanlen in zulk een' angst ver- 
keerden , 

a>7T avxTTti^xv ^eipixlvovTX? TroXMxt? wg tov iroxiiixpxov. 

Bij gevolg verwachtten die lieden van den polemarchus , dat 
hij hen bijstaan en tegen de aanklagers sleun verleenen zou: 
want wat anders zou hen daartoe hebben kunnen nopen ? Zoo 
wij van den polemarchus overigens niels wisten, zouden wij 
hieruit opmaken, dat zijn ambt hem de bevoegdheid gaf, om 
op de eene of andere wijze ten behoeve der gedaagden tus- 
schen beiden te komen en zich hunne zaken aan te trekken , en 
hiermede vrede hebben even als met zoovele andere halve en 
gebrekkige overleveringen der oudheid. Maar de polemarchus * 
is ons niet zoo geheel onbekend; zijne magt als reglerlijke 
overheid bepaalde zich tot het volgende. Hij bezat even als de 
archon , de ihesmolheten en andere overheden te Alhene de 
viyBliovix ^txx(7T>iplov in zekere door de wet bepaalde gevallen. 
Dit brengt mede, dat de instructie onder zijn toezigt plaats 
had en dat hij, bij het regisgeding zelf, hel voorzitterschap 
bekleedde. Het was dus ongetwijfeld zaak voor een' gedaagde, 
wiens proces tol de jurisdictie van den polemarchus behoorde , 
zich naar hem te spoeden en hem te vriend te houden. Maar 



*) Zie SclIOEMAJiJi , ^tt. PrOC. p. ÜO vljrjr. 



vss. 1029—1042. 235 

dit kan loch Aristophaises niet bedoeld hebben. Hij zou hier- 
door te kennen geven, dat de syfcophanten zich uitsluitend met 
processen bezig hielden , die voor den polemarchus gevoerd 
moesten worden, en dat heeft hij niet gewild. Het zou onge- 
rijmd zijn, al waren die gevallen zeer menigvuldig geweest; 
doch zij waren zeldzaam. Met een paar uilzonderingen van wei- 
nig belang kwamen voor den polemarchus d\\&&n zaken, waarin 
een vreemdeling als eischer optreedt , en de sykophanten van 
ambacht waren geen vreemdelingen. Aristophahes kan dus van 
den polemarchus hier niet gesproken hebben en wij mogen vrij 
aannemen dat het woord bedorven zijn moet. Laat ons beproe- 
ven of wij het kunnen verbeteren. Eer wij echter daartoe over- 
gaan, moeten wij ons afvragen, of wij de gedaagden, die steun 
zochten bij de overheid , welker naam door 7rof.sfi«pxou ver- 
drongen is, voor burgers of vreemdelingen houden moeten. Het 
laatste is waarschijnlijker. Want voor de burgers bestond geeoe 
overheid, tot welke zij zich ingeval van een regtsgeding nood- 
zakelijk altijd moesten wenden ; bij de vreemdelingen is dit an- 
ders. Ik bedoel niet de vreemdelingen , die als fiérotxoi of ïro- 
Ts\sl<; te Athene woonden en met alle wegen en middelen even 
goed bekend waren als de burgers; maar stel eens dat een sy. 
kophant met zijne 7rpo<rK\^(reii; naar eene van Athene afhanke- 
lijke stad of eiland reist en daar de personen , op welke hij 
het gemunt heeft , voor de Atbeensche regtbank laat dagen. 
De gedaagden kennen de Adlsche wetgeving niet of ten halve; 
zij zijn misschien nooit in de stad geweest en hebben er geene 
vrienden , en nu zullen zij derwaarts moeien gaan om onvoor- 
bereid hunne zaken naar vreemde wellen voor vreemde reglers 
te bepleiten. Maar in de plaats hunner inwoning bevindt zich 
een Alheensche landvoogd of bevelhebber ; hij is misschien een 
man van invloed , en kan in elk geval door goeden raad en 
hulp bij de voorloopige instructie der zaak van veel dienst zijn. 
Moeten wij niet verwachten dat meestal deze man de vraag- 
baak en helper der gedaagden geweest zal zijn? Ik voor mij 
ben geneigd om te gelooven dat Aristophanbs van hem gespro- 
ken heeft ; doch alles komt op den naam aan. In 'l algemeen 
worden de landvoogden xpxovrsi; genoemd ; zie Boeckh Slaalsh. 
der Ath. I. 456 ; wanneer er bepaaldelijk van eilanden sprake is. 



2S4 De Wespen van Aristophanes. 

ook viijlxpxot , zie Antiphanes bij Athenaeds p. 343. a. Ik behoef 
niet Ie zeggen dat geen van beide namen voor deze plaats ge- 
schikt is. Doch bij de Atheners w^orden onder den naam van 
>de steden" («< wóxeig) alle afhankelijke bondgenooten begrepen , 
zoovtrel de eilanden als de op het vaste land liggende plaatsen , 
Het is dus niet onwaarschijnlijk, dal de Atheensche bevelheb- 
bers in steden of op eilanden , zonder onderscheid , ook iroXlxp- 
Xoi werden genoemd en ik geloof dat wij niet ver van de 
waarheid zijn, als wij stellen dat Aristophanes geschreven had: 

«Vt' »vx7rijixv ieiiixtvovTX? voX^oix; üg tov TroXixpx^v. 

Eene zwarigheid blijft hier echter overig. Wij zijn uitge- 
gaan van de onderstelling dat Aristophanes van vreemdelingen 
sprak; hoe dit overeen te brengen was met vs. 1040, êTr) to7- 
ffiv xTcpxyiMcn viiüv? vfieTi; wil zeggen de toeschouwers of bur- 
gers , want dit is één ; de dichter geeft dus (e kennen , dat de 
sykophanten die hij had doorgehaald, hunne slagtoffers onder 
de burgers zochten. Zoo hel zeker was dat de dichter u(aüv ge- 
schreven had , zou ik geen kans zien om den strijd op te lossen ; 
doch men leze yifiüv, dat even als de overige casus van het 
pronomen door de afschrijvers tallooze malen met uiiüv verwis- 
seld is. De beteekenis van iiiiüv hangt van den persoon des 
sprekers af. Zoo het koor, dat deze verzen opzeide, even als 
dat in de Wespen , uit Atheensche burgers beslaan heeft , baat 
de verandering ons niet ; maar er zijn voorbeelden van koren , 
die vreemdelingen voorstelden. Onder de verlorene stukken van 
Abistophanes is er één, welks naam, NjJitc; , het waarschijnlijk 
maakt, dat het koor uit vrouwengestalten bestond, die de af- 
hankelijke eilanden en hunne inwoners vertegenwoordigden , 
even als dit mei de bondgenooten in 't algemeen geschiedde in 
de Sleden van Eupolis. Onder de weinige brokslukken van de 
Eilanden vindt men er twee , die in overeenstemming met den 
naam , ons vermoeden dal het koor van het blijspel zóó was 
zamengesteld , Ijevesligen ; hel eerste en hel zevende. Het ze- 
vende is buitendien opmerkelijk , omdat men er uit besluiten 
mag dal Aristophanes het volk op den geest van ontevredenheid , 
dien de harde heerschappij van Athene in vele eilanden verwekt 
had , in dit stuk opmerkzaam gemaakt heeft. Het koor zegt 
inet het oog op een van deszelfs medeleden : 



vss. 1029—1042. 255 

In dea mond van dit koor zouden de in de Wespen mis- 
plaatste verzen uilmuntend gepast hebben. 

Het toobeel zelf, waarin de dichter de syköphanten aan de 
kaak gesteld had , vindt men , even als dat van den vadermoor- 
der, in de Vogels terug, vs..l410 — 1470. Het strekt in allen 
deele om onze uitlegging van vs. 1040 vlgg. , benevens ons ver- 
moeden , dat men daar aan syköphanten denken moet , die be- 
paaldelijk op de eilanders jagt maakten, te bevestigen. Iemand, 
die van de nieuwe vogelenstad gehoord heeft, begeeft zich naar 
haren bestuurder , Pisthetaercë , opdat deze ook hem tot een 
vogel make en vleugels schenke. Pistbbtaerus vraagt , of hij 
naar Peilene wil vliegen ? Neen , zegt hij , 

x>,Xx xKviTyif tlfit Uija-iuTtxit; 
xx) (TVKo<pxvryii. 

niseETAIP02. 

2TKO*ANTH2. 

xai '7tpx<yiiotT0^i(pvii;. sJtx iiofzxi vrepx X»^uv 

XÏlxXiil TCSpKrO^Blv TXi VÓXSK; XX?i.OVftlUOi. 

PiSTHETAERüs , hierover verontwaardigd , vraagt hem een wei- 
nig verder, 

tokt) yctp êpyx^et au rovpyov ; eliré ftoi , 
vsxvlxg uv (rvxo(pxvT£7s roii^ ^hovg ; 
De sykophanl bevestigt dit en nu tracht Pisthetaerus hem 
zijne schandelijke broodwinning af te raden; doch te vergeefs, 
want deze antwoordt : 

Th yivoq oii xxTxtiTXvvü ■ 
irxirircfog o (3los auxoCpxvrstv sari (iot. 
oi>,\x Tcrèpou fie rxxéo-t xx) MvCpot? VTspoii 
tipxxoi , ij xepxv^ioi , ag xv Tobq ^évovg 
KX\e(TX(ievog x^t' iyxex?>)]Kiig êvSxSit 
k^t' xZ Térafixt ^x>,iy ixsTtre. 
ni2©ETAIP02. 

fixvSxvu. 
wS) htysii' '6xu(; xv «<J)A»jx}} S/x^ji/ 
ivéxBs irp)v vixstv S ^ivog. 



256 Dk Wespen vai» Aristophanes. 

£TK0<1>ANTH2, 

vdvv (iccvêeivei?. 

nlseETAipoz. 

Kxiretó' ó fiiv a-Af? hüpo , tri/ 5' eKêTr' au verst 
(ipv»ró(i£voi T» %p>)/»«t' xütoü. 
2TK0<I>ANTH2. 

Hel tooneel eindigt daarmede , dat Pisthetaerus den sykophaut 
in plaats van hem vleugels te schenken , met een duchtig pak 
geeselslagen naar huis jaagt. 

Mijne taak is hiermede ten einde gebragt. Ik hoop dat het 
mij bij het tweede gedeelte der verdachte plaats, zoo wel als 
Lij het eerste, gelukt mag zijn om het vraagstuk van de tn- 
terpolatie uit te maken, en den waarschijnlijken oorsprong en 
waren zin der geïnterpoleerde verzen aan te wijzen. Over de 
vraag, of de veertien verzen weg kunnen blijven, zonder den 
zin en het verband te storen, behoef ik niets te zeggen; ieder 
lezer die er de proef van nemen wil, zal haar toestemmend 
moeten beantwoorden. 

vss. 107Ö vigg. iiTfih lïfieTi , oJ( 'jrpóasaTt toüto rovppOTTvytov , 
'ATT/xa/ (iévoi ^iKOiiui ev^ivsTi ctiiTÓxioves , 
dv^pixÜTXTOv "yévoi kx) vXelvrx Ti!ivie r\fv wóXiv 
«4lf Ai)(7-«j/ èv fixx»i<^iv , ijv/x' »jAtf' ó l3xp(3xpoi;. 
ARiSTOPHANBS ouderschcidt tweederlei soort van wespen, de 
<r<p)jx£i; , die met een Kévrpov voorzien zijn , en de KttCpijvsi , die 
er geen hebben. Met de eerste soort bedoelt hij de burgers, 
die zich dapper voor het vaderland te weer gesteld hebben; de 
tweede bestaat uit lieden , die aan geen krijgstogt ooit hebben 
deelgenomen en ciaTparsvrot zijn. Zie vs. 1114 vlgg. Deze 
verdeeling is duidelijk en eenvoudig. Maar de plaats, die wij 
voor ons hebben, moet ons niet weinig in de war brengen. 
Het Kévrpov zou, volgens vs. 1076, het kenmerk zijn, dat 
men een Alhener is van het echte ras , een xï/tóxSuv ; de dap- 
perheid is eene bijzaak ; het xévrpov bewijst alleen de aulochtho- 
nie. Hieruit volgt natuurlijk dat met de K>i(p!jvii , die geen 
xévrpov hebben, niet de xtrrpxreuroi bedoeld zijn, maar de in- 
geschoven burgers van vreemden oorsprong. 



vss. 105J9— 1042, 1084 vlg. 2B7 

Hoe dit overeen te brengen ? Of zal men misschien beweren , 
dat Aristophanes zuiverheid van afkomst met dapperheid , vreem- 
den oorsprong met lafhartigheid gelijk stelde, en het een voor 
het ander nam ? Doch wij behoeven ons geene moeite te geven 
om dezen knoop te ontwarren; het vers is ongetwijfeld onecht. 
Hiervoor spreekt niet alleen de moeijelijk te beslechten strijd , 
waartoe het aanleiding geeft , maar ook de ongerijmdheid van 
het denkbeeld zelf. Want als een kenmerk van dapperheid is 
de angel goed gekozen ; hij is het wapen der wespen , even als 
de speer dal der mannen is; doch hoe kon de dichter in het 
bezit van dien angel een bewijs van aulochthonie zien ? Zoo ie- 
mand mij op die vraag een voldoend antwoord geeft , ben ik 
bereid om mijne dwaling te erkennen en hel vers voor echt te 
houden. 

VS. 1084 vlg. 

uirh Sè Tüv TO^iufiXTUV óux v\v \ielv rov ovpxvóv. 
a^X' ofiwg iTTüxrixfievdx ^uv 6so7g xpht; la-^rip^. 
De gedachte , die het eerste vers beval , is geheel ontbloot 
van de frischheid en oorspronkelijkheid, welke Aristophanes in 
hooge male bezit. Het is niets als eene herhaling van de over- 
bekende hyperbole , die , volgens de overlevering , onder anderen 
ook tol hel beroemde apophthegma vanDiENECES te Thermopylae 
aanleiding gegeven zou hebben. Het is niet waarschijnlijk , dat de 
dichter goed gevonden heeft deze oude aardigheid hier in te 
vlechten, temeer daar het feit met de geschiedenis niet overeen 
te brengen is. De boogschutters hebben bij Marathon eene onder- 
geschikte rol gespeeld ; de vurige aanval der Alheners liet hun 
geen lijd ; hel was een strijd van man legen man , waarbij alles 
aankwam op persoonlijken moed en kracht. Aristophanes heeft 
dat nog veel beter geweien dan wij ; zijne eigene verzen ge» 
tuigen het: 

cCiSéug yxp iKipxfióvTei <fhv iépsi auv ivvitt 
ilixxifiscö^ xvToIai , dufiov i^lvijv vsiruxÓTei; , 
(TTXi xvvip "JTxp xvhp\ xiit" ipy^s Tvfv %s\ijv)iv hiluv. 
Wie gevoelt niet . dat in zulk een strijd de boogschutters 
slechts weinig kunnen doen en geenzins voorgesteld mogen 
worden als het eenige beletsel , dat de zege der Atheners 

17 



358 De Wespbn yas Aristophanes. 

een lijd lang tegenhield ? Ik geloof niet dat raen te ver gaat 
als men beide verzen aan Aristophanes ontzegt. Op het eerste 
is , wat de taal betreft , niets aan te merken , doch in hel twee- 
de moet men de zonderlinge onzekerheid van den tekst niet 
voorbijzien. In cod. V. leest men èrwi^èiisaéx , in cod. R. /«"«w- 
(r»iit(rêx; het eene even ongepast als het andere; de lezing 
van de uitgaven »ira(rxiJi.s<76x is slechts eene half voldoende 
verbetering. Eindelijk lette men op de hoogst ondichterlijke 
lijdsbepaling vpU hTrêpxv. 

VS. 1087 vig. 

«Ti» S' t'i7ró(ie(r6x duwx^ovret; ê? Toin; SuXxxoui , 
01 5' icpcvyov rx? yvxiovi xx) rxg icppü? xevTOVfisvoi, 
Deze beide verzen moeten worden omgezet. De Perzen kon- 
den van de Alheners geene wonden in het aangezigt ontvan- 
gen , toen zij eens aan bet viugten waren en deze hen achter 
na zalen. Integendeel , de wonden , die zij in het aangezigt 
ontvingen , waren oorzaak dat zij omkeerden en toen door de 
Alheners van achteren werden gestoken I? töu? êuXiixtui;. 

VS. 1107 vlgg. 

^u^^^eyivTSi yxp xxS' éa-ftovf , utrTTfpe) rxvópiivix, 
01 nsv fifiüv ouTTsp xpxMV , ol Sf TTxpx Toug 'év^exx , 

o\ S' Iv wSf/^ 5/X«^flü9"', OÏ 5f TpO? TWS TCIxtolf 

^ufifSs^uiTftévot, wxvov vevovre? e)? riiv y^v , (iÖMi 
UKjTtep ol iTxaXiixef iv roïg xvTTxpoii; xtvoüfiivot. 
Tlvxvóv behoort, zoo als een scholium (ro iruxvóv irpoi; to ^uft- 
0e(3uiTfihoi) te regt aanmerkt, niet bij vsvovrei , maar bij ^uft- 
^s^vtr/iévoi ; doch men schrijve irvxvoL Voorts moet ^v/x.0il3u7- 
(iévot van het voorgaande ol 5è xpof roTi reixloig door eene com- 
ma gescheiden worden ; het betreft niet alleen dit laatste ge- 
regtshof, maar allen evenzeer. 

VS. 1112 vlg. !i re rhv ciXKviv Vixitxv êff/ih evvopéiTXTOt. 

irxvT» yxp xevTOvfiev xv^px xJéxTropl^o/ifv (Slov. 
De twee verzen , die wij hier voor ons hebben , breken op de 
zonderlingste wijze hel verband. De dichter beschrijft in het 
voorgaande, boe de reglers, even als de wespen, bij ganspbe 



VS. 1084 VLG. , 1087 VLG. , 1107 vlgg , 1 112 vlg. 259 

zwermen in de gereglshoven opeengepakt zitten, en bouwt na 
VS, 1113 op die vergelijking verder voort, door de «orparfu- 
roi , welke onder de reglers zitting nemen en even als de ande- 
ren , ien triobolus ontvangen, te vergelijken met de hommels, 
welke de honig van de wespen, die zij niet mede hebben inge- 
zameld, toch met de overigen verleren. Wij hebben dus hier 
eene doorloopende paraltelie , die met vs. 1106 aanvangt en 
bijna tot aan het einde van den koorzaiig voortduurt. De beide 
verzen , welke builen deze parallelie liggen en de beschouwing 
van den regierstand op een -ander terrein overbrengen, zijn 
misplaatst en hinderlijk. Maar dit is niet alles : de gedachte 
Jtelve is onjuist en geenszins op de reglers toepasselijk, maar 
op de sykophanlen. Van deze kan men met vvaarheid zeggen, 
dat zij iedereen steken of aanklagen , en hierdoor in hun le- 
vensonderhoud voorzien , doch de reglers ontvangen den trio- 
bolus even goed wanneer zij vrijspreken , als bij eene veroor- 
deeling; ook vergelemen niet dat het kivt pov ioov het koor niet 
beschouwd wordt als een werktuig , om de aangeklaagden lastig 
te vallen , maar enkel dienen moet om de wespen van de hom- 
mels te onderscheiden. Wal de laai betreft , is het tweede vers 
zuiver, maar in het eerste is hel mij niet regt duidelijk, wat 
ig Tvtv «AA^ji/ iixnccv eiiiropóiTxrot raag beteekenen. Isokrates 
zegt wel p. 162. E. : e'i rx ■^ep) rov (iiov sÜTropérspoi yiyvolfisöx; 
doch vooreerst is /3/o? niet hetzelfde als ^Ixitx, vooral hier niet, 
waar üxitxv zoo wel om den zin, dien het reeds in vs. 1102 
heeft, als door de toevoeging van xXMv , noodzakelijk levens- 
wijze, maar niet levensonderhoud beleekenen moet; en dan nog 
is bij Isokrates de uitdrukking door het gebruik van het artikel 
(rct Tsp) Tov l3lov) van een geheel anderen aard. De verzen 
zijn, naar mijne overtuiging, beiden geïnterpoleerd. 

vss. 1114 vlgg. «AA^ yxp Kiii(p^vti;^fi7v sla-)» êyxxêilffievoi f 

oiix ixovTSi Ksvrpov • ci (iévovrei; vmüv tov (pópou 
riv yóvov Kxreaêiovatv , oü rx^xt7rci>poófA,£voi. 
Vers 1115 is voor de eene helft overtollig en voor de andere on- 
verslaanbaar. Het eerste gedeelle ouk exo^rsg xévTpov is overtol- 
lig; de Alhencrs zouden den dichter in het aangezigt uitgelag- 
chen hebben, zoo zij bemerkt hadden dal hij het noodig oor- 

17 • 



260 De Wespen van Aristophanes, vss. 1114 vlgg. 

deelde zijne toehoorders aan het onderscheid tusschen de x)4<p^- 
vf? en de <r<p!jx£f te herinneren. De tweede helft is onverslaan- 
baar : vooreerst /iévovrei ; de schrijver heeft daarmede waar- 
schijnlijk bedoeld , dat zij in tijd van oorlog te huis blijven en 
niet mede uittrekken ; doch dit is niet meer dan eene gissing ; 
het participium dat door niets nader bepaald wordt, Iaat ons 
omtrent den waren zin in het onzekere ; voorts , rou (pipou rh 
yóvov Kxrsirimaiv, hiei" zie ik geen kans om yóvog anders te 
verklaren , dan als rente of interest van den <pópo(; ; als ware 
de (pópog een kapitaal en niet zelf de rente van de afhankelijke 
landen! En om dezen zin, zoo ongerijmd als hij is, uit de 
woorden te kunnen maken , moet men nog daarenboven aanne- 
men , dat een Alhener •yóvoi heeft kunnen gebruiken voor rixoq , 
het gewone woord voor rente. Ik zou mei de plaats geen weg 
weten , zoo niet gelukkig een oud scholium ons hier eene vin- 
gerwijzing gaf. Het luidt aldus: Ktjiptjvei Si shm o't »p<reveq röh 
fjt.€U(i<rS>v , o'ktvsi ovre Ksvrpx exou(nv ovre Ktiplx èpyx^ovrxi , 
«AA* Tx TÜv fie},i(T(TÜv epyx hólovriv. 'Hirlohg {Op. 302) 
Kvi<Pyive(r(ji KoSovpoi? 'ixeXof op(iviv , 
oiTS fie^Kyirxuv KxptXTOv rpüxovaiv depyót 

è(T$ÓVT6i;. 

Met het oog op dit «cAo/tuw en gedachtig aan Xenophon , i4»a6. 
VII. VI. 9: ^fisTi; fih (rrpxTevófisvoi ouSfi' ire'ïïxviisix' b 3« Tohi 
^fisrépovi TÓvovg (%ei , geloof ik hier, na uitstooting van 
VS. lllS, de beide overige verzen meteenige waarschijnlijkheid 
aldus te kunnen verbeteren: 

«AAii yxp xtiCpijvei; vinüv ttri'' or èyxxêviiievoi 
Tov ttÓvov Kxrf(Téiov<nv , OU TX^xiTupovfisvot. 

Hier is, behalve de verandering van yóvov in ttóvov, daaren- 
boven voor ^/iJv geschreven i/iüv , dewijl het pronomen behoort 
bij TOV TTÓVOV, en ehh veranderd in M' or, om xvjtpiiveg onmid- 
dellijk met KXTsaêhuaiv te kunnen verbinden. 

Hilversum, /anuan) 1854. H. G. Hamaker.